Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
li JACOB CATS.
Dat moet komen over zee-,
Ik Len liever Lij liet vee.
Bij den ploeg en Lij de Lien ,
Daar kan ik mijn rijkdom zien,
Daar speel ik een geestig lied
Op een mossel , of een riet,
Daar LeL ik een stille ziel,
Schoon de gansche hemel viel
Die op 't land zijn woonplaats stelt.
En Lehoeft naauw eenig geld C^),
En Lehoeft niet om het goed
Te Lesmetten zijn gemoed.
Of te hangen in een schaal
Eere, ziel en altemaal.
Uit de vruchten van het land
A^alt hem alles in de hand.
Want des aardrijks milde schoot
Schenkt aan ieder zijnen nood
Wat men in de steden koopt,
Als men op de markten loopt,
Wat daar ieder stelt op prijs,
't Zij van kleeding of van spijs,
Dat verkrijgt men op het veld
Zonder munte, zonder geld
Bijen. Moezel, een doedelzak. Eene krachtige uitdrukking»
aan eenen Latijnschen dichter ontleend, waarmede Daphr^ de ruste
van zijne stille ziel, d. i. zijn kalm en onbezorgd gemoed, te kennen
geeft. T. w. in vergelijking van den stedeling. Wen zegt ge-
woonlijk in de waagschaal stellen; cats hier dichterlijker: in de waag-
schaal hangen. Wat hij tot zijne nooddruft behoeft. C') Wel te ver-
staan, als men tevreden is met eenvoudige spijs en kleeding en er om
werken wil. — Daphnis loopt zeer hoog met zijnen stand, gelijk men
van hem gehoord heeft, en, naar ons dunkt, niet ten onregte. Meent
iemand, die een ander beroep heeft, aan het zijne de voorkeur te
moeten geven, wij zullen er niets tegen zeggen, wanneer hij den her-
der maar in vergenoegdheid evenaart.