Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
HIEHONYMVÖ VAN AI.PHtN. 151)
men en onderscheidene gewaarwordingen worden uitgedrukt, hebben
wij in deze Bloemlezing nog niet aangeti offen. Het verdient er ech-
ter eenc eerste plaats in, zoowel wegens het onderwerp, als we-
gens de wijze, waarop dat onderwerp met rein gevoel, verhevene ge-
dachten en ware godsdienstigheid behandeld is door eenen dichter,
die door zijne Kindfergedichtjes eenen onsterfelijken roem heeft ver-
worven.
Koor,
Nu lust het ons van God te zingen ,
Den Schepper van het grootsch heelal;
Den Heer, — den vriend der stervelingen-,
Die is, die was, die wezen zal.
Schoon de avond vah, zijn gunstbewijzen
Verdwijnen niet, gelijk de zon.
De nacht zal ons gezang doen rijzen,
Waar nooit de dag het voeren kon
Solo. ,
Sprei uit uw vlerken, stille nacht!
o Wolken! drijft voorbij!
Dat 's hemels glans in volle pracht
Voor 't menschdom zigtbaar zij !
Koor,
Sprei uit uw vlerken, stille nacht!
o W^olken! drijft voorbij !
De zin der beide laatste regels is: de heerlijkheid van den naiht
zal aan ons gezang eene verheffing mededeelen, grooter dan jde dag er ooit
aan geven kon. Welk een' treffenden aanhef, lezerI bevat dit Kooi!
Het verplaatst ons dadelijk bij den aanvang in eene eerbiedige stem-
ming, cn boezemt ons gewaarwordingen in, die met de grootschheid
van het onderwerp overeenkomen. f^) Deze verhevene apostrophe,
die door het K.oor zoo treffend herhaald wordt , volgt uitnemend op
den aanhef. De dichter is verlangend den heerlijken starrenhemel te
aanschouwen, en gebiedt nacht en wolken denzelven aan het mensch-
dom te vertoonen. Voorts worden hier aan den nacht dichterlijk
vlerken of vleugelen gegeven, wegens de duisternis, waarmede hij de
iicheele Natuur bedekt.