Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
HARMAMIS ASSCHENIÏERGH. 157
" Dut ei is, vat je 't? voor jouw moeder-,
"Dut is voor mij, dut voor jouw Lroeder •,
"Eet jij nou, met jouw wijze kop,
"De filozofisclie eijren op
DE AVINKELIEK EN DE SCHILDEK.
Een zeker winkelier, verwaand in alle zaken,
OntLood een' schilder, om een uithangbord te maken.
Dees vi'oeg: " Hoe wiltgij, datik 't schildren zal, Mijnheer?"
Hij zei hem: "Zus en zoo, maar bovenal een' beer,
"Gelegen aan een' paal en aan een touw gebonden."
De schilder sprak: "Dit is niet goed door u gevonden:
"Een beer moet vast zijn aan een' ketting, aan geen touw,
"Dewijl hij met zijn' bek dat straks doorknagen zou."
"Hoe!" sprak de winkelier, "hoe, bloed! wiltgij mij leeren?
"Ik wil geen' ketting, maar een touw is mijn begeeren.
" "Wilt gij 't niet doen, 'k zal dan een' ander' hier ontbiên :
"Ik wil 't zoo ik 't begeer, door u geschilderd zien."
" Goed," sprak de schilder, " 'k zal het doen naar uw behagen,
" Maar, wat er ook van koom', gij moet den spot verdragen;
"'k Heb u geraden, en de schuld daarvan krijgt gij."
" Ja," sprak de winkelier, " 'k neem al de schuld op mij.
" Wat zotskap zou me om iets, dat zoo behoort, toch laken?
" Gij zult het naar mijn' zin, en niet naar d'uwen maken."
De schilder schildert, opdat hij zijn wit niet derv' (*),
Het touw met olie- en den beer met waterverf.
Plat, voor dit. Dit vertelsel komt reeds voor in eene oude
Latijnsche Verzameling van anecdoten en geestige gezegden; hoewel dus
de vinding niet van den dichter is, heeft hij toch de eer van het op
eene losse en niet onaardige wijze in een rijmkleed gestoken te heb-
ben. Voorts worden in dit stukje wijsgeerige drogredenaars luimig ten
toon gesteld.
(*) Om zijn doel te bereiken.