Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
LUCRETIA WILHELMINA VAN MEUKEN. 153
Dus riep hij, dat een stok de zege aan u zal schenken ?
Acht gij 't een hond te zijn, dien gij bestrijden zult?
Hij vloekte bij zijn Goon, uit brandend ongeduld,
En scholden hoonde en dreigde, en zwoer me in'tgrimmigwoeden
Te slagten als een prooi, om 't wild gediert' te voeden.
Eene eedle gramschap deed mij blozen op dees réén j
Verwaande! sprak ik, ligt de zege dan alleen
In harnas of in speer, en steunt ge op dat vermogen ?
Ik wacht mijn heil van God! van God, die in den Hoogen
Voor 't heil des Erfvolks waakt en voor ons leger strijdt,
Wiens n.aam gij lastren durft, wiens magt ons hart belijdt.
Hij zal u in dit uur door mijne hand doen sneven.
En al uw volk ter prooi aan 't wild gedierte geven,
Opdat al de aarde erkenne en uit uw voorbeeld leer'.
Dat Isrel wordt beschermd door aller Goden Heer,
Die nimmer ongestraft zijn hoog gezag laat honen.
Dus sprekend, smeekte ik God, dit uur zijn magt te toonen;
'k Lei een' der keijen in de werpkoorde, en beval
Al slingrende, Isrels heil den Schepper van 't Heelal,
En dreef den steen hem toe, die, gonzende aangevlogen,
In 't reuzenvoorhoofd zonk, en de ijslijk grimmende oogen
Deed puilen uit den kop. Daar stort het log gevaart'.
Met spies en helm en schild en harrenas en zwaard,
Al duizlende op den grond -, men hoort hem nederploffen,
Gelijk een cederboom, door 't bliksemvuur getroffen,
Ter neerstort, en 't gebergt' doet davren van den slag
'k Vloog ijlings op hem aan, toen ik hem vallen zag,
En lovende Isrels God, Verhoorder van mijn bede,
Rukte ik, met al mijn kracht, zijn slagzwaard uit de scheede
En scheidde, daar ik hem op 't zwoegend ligchaam trad,

David had zijn' licrderstaf in de hand genomen. Soortgelijke
herhalingen van het voegwoord en zijn ons reeds meer voorgekomen j
het is derhalve onnoodig hier nog te herhalen, waartoe zij moeten die-
nen. Fiksch en krachtig heeft van merken het vallen van den reus
beschreven j vooral is het beeld van den cederboom juist en fraai ge-
kozen ; ook verdient de beschrijving van het werpen van den slingersteen
allen lof. Verder merke men nog op, dat hanenas, wegens de maat,
voor harnas staat, zie aanmerking 10, op bl. 120.