Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'152 LUCRETIA WILHELMINA VAN MERKEN.
Hun voorLeeld moedigt ons, daar we onzen pligt belrachten,
En wijst ons op de zege, ons na den strijd te wachten
DAVII) EN GOLIATH.
Dezelfde dichteres, welke het Nut der tegenspoeden zoo sierlijk en
met kieschen smaak bezong, heeft ons, in een Heldendicht van Twaalf
Boeken, eene bevallige en zoetvloeijende schilderij van den godvruchti-
gen DAViD gegeven, om daardoor, gelijk zij zelve zegt, deugdlievende ge-
moederen in het welgegrond vmrouwen op de Goddelijke Voorzienigheid te be-
vestigen. Het gedeelte, door ons uit het Tweede Boek gekozen, is eene
dichterlijke berijming van de gebeurtenis, in het XVIIde Hoofdstuk van
SAMuëLS Eerste Boek vermeld. Ofschoon onzen lezers en lezeressen deze
gebeurtenis wel bekend is, raden wij hun toch aan, dezelve vooraf
aldaar na te lezen, ten einde te zien, hoe de begaafde vrouw die ge-
beurtenis van nabij weet te volgen en met smaak te behandelen.
De groote Filistijn, die tweewerf's daags verscheen.
Vertoonde zich, op nieuws, nog trotscher dan voorheen-,
Toen mij de Vorst omarmde en afzond, op mijn bede (*).
Ga, sprak hij, jonge held! verwin en keer in vrede!
Een diepe stilte, alom door Isrels heir verspreid
Gaf klare blijken van beangste oplettendheid-,
Doch 's vijands leger juichte, en hief het hoofd naar boven.
En dorst zich, vóór den strijd, de zege reeds beloven.
De ontzaggelijke reus, verwaande Goliath,
Sloeg 't hatelijk gezigt, terwijl hij nader trad,
Verachtlijk op mij neer. Vermeetle! durft gij denken.
Waarlijk, regt hartelijke, bemoedigende woorden, in vloeijende ver-
zen voorgedragen! De aanhaling van de geloofshelden uit het O. en
N. Verbond, alsmede die van onze gestorvene vrienden, verhoogen de
belangrijkheid en verscheidenheid van dit fragment.
(*) In het gedicht verhaalt david zelf deze en, meer andere gebeurte-
nissen aan samucl, uit welken hoofde hij hier sprekend wordt ingevoerd.
(®) Dat schilderen der stilte, die de angstige verwachting der Israëlieten
aanduidt, in tegenstelling met het voorbarig gejuich in het vijandelijke
leger, is eene schoonc dicluerlijke greep, onze opmerkzaamheid ovei-
waardig.