Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
LUCUKTIA WlLHEI.MIiNA VAN MEKhKN. I?)1
Een einde maken van de treffendste ongenengt',
En ons doen juichen in eene eindelooze vreugd.
Verheven zielen, die van d' u betrouwden post ('*) ,
Te goeder uur, door Gods genaè zijt afgelost,
Deji dag der Eeuwigheid al juichend aan ziet hreken !
Hoe hlij ziet gij terug op de uitgestane smart,
Op al de ellende,, die zoo zwaar viel aan uw hartl
Hoe ligt schijnt nu de last der tallelooze rampen
Ka ongevallen, daar gij rustloos meé moest kampen!
Al 't onheil, dat voorheen u slof tot weenen gaf,
F.eide aan den boord des grafs zijn bitterheden af.
Schept moed, q treurigen! vest nw geloovige oogen
Op al de zaalgen, die u wachten in den Hoogen.
Moe groot een heilwolk van getuigen zien we alom ,
Hoor de oogen van 't geloove, in 't hooge Heiligdom ,
Daar 't alles juicht van vreugd, op Englenwieken zweven,
De voorproef smaken van een eindloos zalig leven!
Aartsvaders, Vorsten en Profeten, God getrouw,
Onwrikbre zuilen van een vaster kerkgebouw ,
jNavolgers van hunn' Heer, gewijde Apostelscharen ,
Betrachters van Gods wet, verlichte Martelaren,
Getrouwen, welker hoop zoo vast stond als een rols
Op 't nimmer feilend woord des Allerhoogsten Gods-,
Geliefde vrienden, en in God ontslapen magen.
Wier wenschlijk bijzijn eens de vreugd strekte onzer dagen,
Zij toonen ons den palm p), dien hunne godsvrucht won.
Zij blinken ons in 't oog gelijk de middagzon
tclijk lijder den dood voor, als een' bode, die ben» verlossing van zijne
ellende komt aankondigen. 13ij uitstek roerend is deze aanspraak
aan degenen, welke, door den dood van hunne smarten verlost zijnde,
tot beter on volmaakter standplaats zijn overgegaan; rogels als de vol-
gende, zullen gewis eiken lijder welkom zijn. (*) Ontleend aan Hebr.
Xlt : 1 ; de dichteres, zich verbeeldende, die heilwolk van getuigen met
het oog des geloofs te aanschouwen, komt nu in verrukking en Ijeiligc
geestdrift, welke gemoedsaandoeningen zij in de volgende regels zeer
goed weet uit te drukken. Het teckon dor overwinning, zïe Openb.
VII : 9. (G) Zie Matth, Xin :43.