Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
148 NICOI.ÄAS SIMON VAN WINTEK.
Zacht beroerd in duizend kringen-,
Scbaduwtegenvoetelingen
Haar verzeilen overal.
De een spoelt hals en borst en pluimen
In bet fladdrend waterwed,
De ander, die de vleugels net,
Doet het bruisend water scbuimen;
Deze zwemt met snellen spoed
Door de tuimelende baren-,
Die zien we, onder 't spelevaren ,
Wenden, draaijen in den vloed
Hebt ge ooit stroomgareel gedragen.
Vogels! trekt mijn dobbrend jagt!
Siert. . . . Maar neen, uw vederpracht
Voegt niet aan mijn' waterwagen
't Heugt me, o landstroom! boe mijn voel
Heeft, met onbeschroomde schreden,
Uw' kristallen vloer (®) betreden-.
(®) Zoo noemt van winter aardig, meteen nieuw gesmeed woord, de
schaduwbeelden, welke de zwanen onder het zwemmen, door het breken
der lichtstralen, in het heldere water maken. (') Eene keurige beschrij-
ving, lezer! die ons de onderscheidene fraaije houdingen en gebaren van
den schoonsten der watervogelen allergunstigst afmaalt. — Men lette
voorts op de apostrophe of aanspraak in de volgende regels. Dich-
ters en schilders stellen de Stroomgoden en Godinnen weieens voor
als gezeten op een' wagen, die door zwanen getrokken wordt; van
winter, die zich voorstelt, dat hij, op een' waterwagen gezeten, den
stroom afzakt, zinspeelt hierop. Voorts verdient nog het volgende opge-
merkt te worden : in den voorgaanden regel bedient hij zich van eene
redekunstige figuur,, de aposiopesis oi verzwijging geheeten. Siert, wil
hij zeggen, mijnen wagen met de pracht uwer vederen, door u, name«
lijk, voor denzelven te laten spannen en hem voort te trekken; maar
hij durft dit denkbeeld niet uitdrukken; zijn waterwagen is niet grootsch
genoeg, om door zulke fiere vogels getrokken te worden. Soortgelijke
figuren kunnen in de poëzij, als zij, gelijk de dichter hier doet, smaak-
vol gebruikt worden, van veel uitwerking zijn. De apostrophe en
persoonsverbeelding smelten hier ineen. (®) De uitdrukkingen kristal-