Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
I {)S\0 ZWIKK VAN HAKt>,
"Ihuu* weezeijP' — Hozemond, bewogen.
Voelt tranen duisteren hare oogen ,
Haar vinger veegt ze spoedig af-,
Maar de oudste kindren laten 't spelen ,
Oni door hun zoentjes 't leed le heelen,
't Geen ieder vreesde, dat hij gaf
Die kinders eischen nieuwe zorgen,
De kindsheid vordert vroege rust,
De aanstaande nacht kweekt voor den morgen
En nieuwe kracht en nieuwen lust.
Vermoeidheid rekt hun teére leden :
De slaap vervangt hun korte heden;
Hun rust is zuiver, ongestoord,
Wijl ROZEMONn, diep in gedachten
Op 't zeemanslol in zulke nachten ,
, Met siddring eiken rukwind hoort
Maar denkt ze, 't zorgen kan niet helpen !
Hij is, O God! in uwe hand,
't Zij hem de golven overstelpen.
Hetzij zijn pligt hem vindt aan land!
Ik moet voor deze kindren leven : —
Nog eens de horst aan 't klein' gegeven!
Verduisteren. (*») Hoogst lief en aandoenlijk I De kinderen, die de
moeder zien weenen, laten dadelijk hunne spelen varen, en trachten dooi
kusjes de moederlijke smart, van welke zij de oorzaak meenen te zijn,
weg te nemen en te stillen. Nog roerender worden deze regels, gelijk
tevens de geheele alleenspraak van kozemo.\d en haar huisselijk bedrijf,
als men ^\eet, dat zij haren trouwen en dapperen de lange niet zal
weerzien. Immers van haren heeft ons reeds in een' van de vorige Zan-
gen verhaald, dat de lange den heldendood gestorven was voor het
Vaderland, door de lont in 't kruid tc steken. Gaarne zonden wij de
meesterlijke beschrijving dier heldendaad hier mededeelen, wanneer
het ons niet aan ruimte ontbrak j wie in de gelegenheid is, leze dezelve
na in de laatste verzen van den lOden Zang der Geuzen. Men ga ook
hier de schoone tegenstelling van de gerustheid der kindertjes, die nog
geene zorgen hebben, met de ongerustheid der moeder, niet onopmerk-
zaam voorbij; fraai luiden hierop de volgende regels.