Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
ONNO ZWIER VAN HAREN. 141
Maar niemand heeft in deze wallen
Met meerder' angst den avondstond
In zwarte wolk zien nedervallen,
Dan gij, deugdrijke rozemond
't Is juist acht jaren thans geleden,
Dat rozemond, zoo zacht van zeden,
Haar trouw, de lange ! aan u verbond,
Dat gij, gelukkigste aller menschen!
Genoot het toppunt uwer wenschen ,
In 't blij bezit van rozemond.
't Is waar, wanneer de lentedagen.
Met d'eersten milden zonnegloed,
De felberoerde wintervlagen
Verdreven van den breeden vloed.
Dat jaarlijks uwe nijvre zorgen
U maanden lang voor 't oog verborgen
Van echtgenoote en huisgezin
Maar welk een vreugd in najaarstijden,
Als vader kroost en ga verblijden
En voeden kwam door zijn gewin!
Hoe glijden dan de lieflijke uren
Van 't weêr vereende jonge paar,
Wen ze in de kou bij goede vuren
De winst bereeknen van het jaar!
(5) T. w. binnen de wallen van de stad Veere. (*) Van haren
maakt ons in dit couplet met de beide hoofdpersonen van zijn verbaal
bekend; boe fraai en dichterlijk doet hij dat, door rozemond, de vrouw
van den Schipper de lange, en vervolgens dezen, aan te spreken! Men
houde verder in het oog, om dit geheele dichtstuk wel te verstaan, dat
ons in de eerste coupletten, die nu volgen, medegedeeld wordt, eene
schildering van het leven der beide echtelingen vóór den tijd, dat de
lange met de Geuzen scheep gegaan is, om tegen de Spanjaarden te
strijden; de bekommeringen, die rozemond over het afzijn van haren
echtgenoot gevoelt, worden ons geschetst in de tweede helft van dit
stuk.