Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
130 diuk smits.
Of jokt en speelt uw zoete jeugd
Dus wat met simple klagjes?
^ Ei! schep dan liever uwe vreugd
In lodderige lachjes;
Die staan uw aanziglje eens zoo wel -,
De droefheid is geen kinderspel C^).
Bevallig kindje! neen, gij moet
De tintelende vonkjes
Van uwen lieven morgengloed,
Noch de aangename lonkjes.
Die ge uit uw glinstrende oogjes schiet,
Verdrinken in een' tranenvliet
Mijn zorg die op uw welzijn let,
Zal, als uw krachtjes rijpen,
En gij uw voetjes nederzet,
Uw poezle handjes grijpen,
En leiden u, vol teedre min,
in 's Hemels naam, de wereld in.
Mijn Dichtmaagd zal met hlij geluid
Uw jeugdige oortjes streelen,
En noón de Rottewichtjes uit,
Om zoet met u te spelen,
Daar 't zwaantje door de golfjes zwiert,
Bij 't neuriën van 't pluimgediert'.
Omoozele. (") In droefheid moeten kinderen geen vermaak scheppen.
Men leze dit couplet nog eens; het is allerliefst, om ons de vriende-
lijke oogjes van het kleine lusje, geheel zwemmende in traantjes,
voor de aandacht te brengen; de uitdrukking tintelende vonkjes van
uwen lieven morgengloed, voor schitterende straaltjes uit uwe kleine en nog
jonge oogjes, is zeer aardig en dichterlijk; hetzelfde mag ook gezegd
worden van d«n laatsten regel. (9) Mijne gade, "s kinds moeder, (^o)
Mijne Muze of Zanggodm, door welke de dichters voorgeven bezield,
lot zingen opgewekt en in het voordragen hunner gedichten bestuurd
te worden. Kinderen van Uotterdam.