Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
ARNOT.D HOOGVMET. 1 27
Welvaart geeft, door de Oppergoedheid,
U gestadig nieuwe zoetheid ,
Zet uw leedjes krachten hij,
Om te vaardiger te loopen,
Leert u woorden-klanken knoopen (')
Tot een' lieve vleijerij.
(iroei, o ^\^LLEM! aardig wichtje.
Met een hlozend aangezigtjel
Groei uw' ouderen tot vreugd,
Groei in krachten uwer leden,
(iroei in geest en aardigheden ,
In gehoorzaamheid en deugd.
's Hemels voorzorg leide uw treden ,
De eedle waarlieid uwe reden ,
Ware opregtheid wone in 't hart 1 >
Leef aldus tot hooge jaren'.
Tot gij zult ten Hemel varen,
Daar men eeuwig 't onheil tart
LOF VAN DEN ZIJDEWORM.
(Uit het Hofdicht: Zijdebalen.)
In dit gedicht wordt een lusthof, met name Zijdebalen, gelegen aan
de Vecht, in het Sticht van Utrecht, en toebehoorende aan den Heer
davm van mollem, bezougcn. De eigenaar van den lusthof liep zeer
hoog met dit deftig voortbrengsel van hoogvlikt's dichtpen, ten be-
wijze waarvan hij den vervaardiger, gelijk zijn Levensbeschrijver meldt,
eenen zilveren penning van buitengewone grootte en van anderhalf
pond zwaarte vereerde. De volgende regels mogen tot eene proeve
strekken.
(') Voorspoedige groei en ontwikkeling. (®) Bevalligheid, aantrekkelijkheid
van voorkomen. Zoo noemt hoogvliet zeer lief het gebrekkig spreken
der kleinen. Deze vrome wenschen, waarmede hij dit stukje be-
sluit, waren bij eenen godvreezenden uoogvliet meer dan kunst; zij
vloeiden bij hem geheel uit het harte voort.