Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
ARNOT,l> nOOGVUET.
125
En vlugge maagden , in de lommer van de blaan ,
Daar onze schuren en de zuiveltenten staan!
Die wascht de lammertjes, dees scheert de wollige ooijen;
Hier drenkt men ze aan de beek, daar zuivert men de kooijen;
De een melkt en de ander torscht volle emmers naar de tent:
Elk weet zijn werk en is aan zijnen phgt gewend
Gewis de Godheid geeft ons deze rust en zegen
De Hemel stort zijn heil gelijk een' zomerregen;
Hij deelt den voorspoed uit met zijne milde hand,
En maakt ons rijker dan de Vorsten van dit Land.
Loof dan, mijn hartsvriendin! met mij 't Oneindig Wezen,
Den Zegenaar, dien wij om zgn volmaaktheid vreezen.
Die ons veel schooner goed, veel grooter heerlijkheid,
In onzen zade, door 't geloof heeft toegezeid :
Een onbegrijplijk heil, hierboven te verwachten!
Hier zwijgt de man, verrukt door heilige gedachten
OP DEN TWEEDEN VERJAAUDAG VAN MIJN ZOONTJE
WILLEM HOOGVLIET.
Onze (lichters hebben altijd meer dan die van andere volken huis-
selijke onderwerpen meesterlijk weten te behandelen. Dat hoogvliet
ook le dezen opzigte onzen Vaderlandschcn roem heeft gehandhaafd.
Het geheele tafereel, in de voorafgaande regels geschetst, is in-
derdaad met <le bevalligste en fraaiste beelden gestoffeerd, waarnaar
een schilder eene bekoorlijke teekening of schilderij zou kunnen ver-
vaardigen. Wil men de schoonste partijen van dit tafereel met op-
merkzaamheid gadeslaan, men vestige dan vooral zijne aandacht op de
koeijcn, die onder het loof der eikenboomen grazen, op den waterval,
in wiens nabijheid het geitje dartelt, op den kameel, die, aan de ber-
gen hangende, in het verschiet naar een klein lam gelijkt, en eindelijk
op het bezig bedrijf der knechten en dienstmaagden, dat allerfraaist
geschilderd is. De vergenoegdheid, dankbaarheid en godvreezend-
heid van den Aartsvader doet de dichter in de volgende regels zeer
goed uitkomen. Hoogvliet laat hier abraham zijne rede opeens
afbreken; de Aartsvader denkt aan het heil,-dat hem in zijn kroost
beloofd is, cn door deze gedachte, als in verrukking opgetogen, kan
hij geen woord meer voortbrengen: gewis gevoelvol en treilend!