Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
JAN BAPTISTA ^VEL^EKE^S. I Oï»
Die onder 't goud, het geld en d'overvloed begraven,
Met Tantalus gestraft, zich zeiven niet durft laven!
Hoe menig vindt het graf, daar hij een' titel zocht!
Hoe menig heeft zijn ziel om grooten staat verkocht!
Een ander woelt, belust om wonderen te weten
En heeft het beste deel, zich zelv', geheel vergeten :
Eer lelde ik al den lielm en schelpen in het duin,
De haren op mijn kruin.
De bladren in die laan, eer ik ooit zou verhalen,
Hoe menig lokaas dal de menschen doet verdwalen
AAN LYCORIS OP HET AFSTERVEN VAN HAAR DOCHTERTJE
ROZEUJNTJE.
Een eenvoudig fraai versje, geheel uit het hart gevloeid en daarom
roerend en teeder; men zal het zeker niet zonder tiandoening kunnen
lezen.
Is flozelijntje neergestort,
Die lieve en jonge spruit verdord?
naar uitstak, in goud, en hij zou derhalve, te midden zijner schatten,
verhongerd zijn, zoo de Goden hem niet te hulp gekomen waren.
(**) Men fabelde van dezen Lydischen Koning, dat hij in de onder-
wereld onophoudelijk dorst en lionger leed, hoewel er overvloed van
spijs en drank in zijne nabijheid was. Hij stond midden in het water,
dat aan zijne lippen ontvlood, als hij zich bukte om te drinken. Boo-
men boden hem de verkwikkelijkste vruchten aan; maar wanneer hij
ze wilde plukken, ontweken de takken aan zijne handen, p®) Een'
naam, aanzien. Om groote geleerdheid te vei'krijgen. Eene bekende
plant, die op de duinen wast. Het laatste gedeelte van dit dicht-
stuk hebben wij meermalen en altijd met groot vermaak gelezen. Welk
een keurig gebruik maakt wellekens van de begeerlijkheid der visschen,
die zich door den angel, tot hun verderf, laten verlokken, om aan te
toonen, dat de verdwaasde sterveling zich op soortgelijke wijze door
een verderfelijk lokaas vangen kat j hoe fraai doet hij telkens de
nadeelige gevolgen van die ondeugden, welke hij opnoemt, uitkomen,
en eindelijk, hoe dichterlijk geeft bij te kennen, dat het boven zijn
vermogen gaat, alles op te sommen , waardoor de mensch verleid en
op een dwaalspoor gebragt kan worden!