Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
108 JAN liVPTISTA WELLEKENS.
O üoodlijke angel, loos niet honig overstreken
\an n lust mij te spreken;
Uw lokaas, zoet in schijn ,
Wanneer het wordt genut, is schaadlijk moordvenijn.
Onnoozle visschen! vliedt! 't is lang genoeg gekeken
De smaak zal doodlijk zijn.
Vliedt voort! de snoeplust zal u zelfs de keel afsteken,
En uwe gulzigheid op 't allerwreedste wreken.
Maar 't is vergeefs gepreekt: de een voor en de ander naar
„ Begeeft zich in 't gevaar.
Zoo ik een dichter was 'k zou hier een dicht van maken,
Dat jong en oud met kracht aan hart en ziel zou raken,
Een dicht, dat op een rij
In kort vertoonen zou der menschen zotternij,
Die, om een klein vermaak, om hooze en dwaze lusten,
Voor eeuwig zich ontrusten,
Voor eeuwig smoren in een jammerlijk verdriet.
De een gaat op 't lokaas toe, dat hem de wellust biedt;
Maar naauwlijks is ter sluik een vuile smaak genoten.
De prikkel van 't berouw is reeds in 't hart geschoten;
De wraaklust heeft nog naauw de handen gansch verwoed
Gewasschen in het bloed,
Een wreeder bartworm knaagt oneindelijk 't gemoed.
Wat doet het druivensap al gruwelstukken werken,
En maakt van menig mensch een' leeuw, een hond, of verken.
Die eigen huis en eer en alle wetten schendt!
Hoe menig wordt er ook aan Midas keur gekend ,
Hetgeen thans volgt, is het meest uitgewerkte, en buiten kijf
het treffendste gedeelte van dezen Visseherszang. (2®) Oeze woorden en
de volgende doen ons denken aan het bevallig stukje van van baerlk,
Ie vinden op bl.34, v.v. Wat hij hier wenschte te zijn, hebben
zijne voortbrengselen en ook dit stuk getoond, dat hij was j zoo is het
zekerlijk beter, lieve lezers! dan, wanneer iemand, gelijk sommige verzen-
makers doen, zich terstond voor een'dichter houdt, en echter door zijne
voortbrengselen het tegendeel bewijst. In eene geheele reeks van voor-
beelden. C^®) IVliDAS AcMte. Muias, het beeld van den echten gierigaard,
was Koning van Phnjgië in Klein-Azië. Hij smeekte Bacchns om de gave,
van alles, wat hij aanraakte, in goud te kunnen veranderen. Zijne bede
werd vcrhoordj maar nu verkeerde ook het broorl, als hij de hand er