Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
J AN 1ÏAI>T1STA WELLEKENS. I 07
En 't schijnt men gunt hem lijd, om zich nog te heraan.
Bedenkt u niet te lang, gij achtelooze visschen!
Gij zult uw' tijd vergissen.
Zoo ziet men menigmaal, dal al te lang heraad
Den loomen draler schaadt.
Maar zou ik al 't geheim der visscherij verhalen.
De nellen, korven en 't gestel naar 't leven, malen ,
Die zij op stroom, op meer en stille waters zet.
Ik zong de zon te bed
De jager weet door list het leger op te sporen j
De vogelaar de vlugt te lokken uil hel koren:
Zoo weel een visschersknaap het weer, de plaats en lijd,
Wanneer de vischschool rijdt.
Doch 'klaat aan anderen, wien 't lust, die bol te gallen
Ik zing slechts uit vermaak, en naar mijn welgevallen.
Bedriegelijke fuik!
'k Denk nu op uw gebruik.
Hoe breed is de ingang, zie, hoe vriendlijk staat hij open!
Maar zacht: wal wijde hals aan zulk een'naauwen buik!
Hoe zwiert deze aal rondomj hij glipt er in ter sluik
Maar zal die losse daad nog met de huid bekoopen:
Geen een van duizend is dien kerker ooit ontslopen,
o Kwaad, o droevig pad,
Dat menig eerst met vreugd, daarna met rouw betrad!
(*-) Tocsiety gereedschappen, I). i. ik had nog niel met zingen ge-
daan vóór den avond. Zoo noemt clc jager de plaats, waar de haas
verscholen of te slapen ligt. Visscherswoord, voor troep of menigte
van visschen. Ik laat het aan anderen over, om al die onderscheidene
soorten van vischtuig te beschrijven; de bot gallen wil eigenlijk zooveel
zeggen, als eene zaak goed of kunstig verrigten, gelijk men in tegendeel
van iemand, die eene zaak verbroddelt, weieens zegt: hij heeft die bot
vergald. ('") De dichter wil zich aan geene bepaalde orde houden; hij
wil los en vrij zingen, zoo als het hem voor den geest komt. Deze
aanmerking brengt hij zeer aardig bij, en wordt, door hetgeen hij ons
hier geleverd heeft, waarlijk niet tegengesproken. Is dit niet zoo
levendig beschreven, alsof wij het, op doek geschilderd, meenen voor
ons te zien? De Heer de vries heeft gewis gelijk, als hij zegt, dat men
bij WKLLEKKNS ovcral kan opmerken, dat hij dichter en schilder tevens
geweest is.