Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
JOANNES ANTONIDES VAN DER GOES. 95
Geronnen, niet voor 't licht des dageraads verdween,
Die naauwlijks't hoofd verheft en arbeidt door te hreken
Daar galmt het teffens op met kloppen, houwen, steken
En bonzen, dat het knarst op ijzer en metaal.
De doove Droomgod hooit dat razen in zijn zaal ,
En slaat zijn vakrig oog eens open lieen en weder.
Meent, dat hij droomt, en zijgt van lieverlede neder
WINTERVERMAAK OP HET IJ MET SLEDEN EN SCHAATSEN.
(Uit het Vierde lïoek.)
De winter zelf belet den Amsterdammenaren
Geen vreugd, wanneer het IJ, met toegevrozen baren,
De rossen op zijn' rug Q) Iaat streven, (-) zoo gezwind
Als een Tartaarsche pijl, gescholen voor den wind
Zij snuiven vier en rook len neuze uil(^), onder 'l nopen ('*)
Der jeugd, en schijnen nu zich zelv' voorhij Ie loopen.
De schoone jofferschap, gedekt met kosllijk bont
Streelt hen in 'l jagen met het orgel van haar' mond C^).
]Men ziet er andreii, met de vleugels aan de voeten.
De dageraad wordt hier aïs persoon voorgestehl: de woorden
dkji opeen geronnen zijn schilderachtig gekozen , om daarmede de dikke
duisternis aan te duiden. Zij, die nog in den arm des slaaps lig-
gen necrgedoken, wanneer het (fp dc werf reeds vol leven cn beweging
is, worden hier oorspronkelijk voorgesteld onder het beeld van den
God der droomen of des slaaps. Het half ontwaken van die Godheid
en het van lieverlede insluimeren wordt, hoewel slechts in een paar
regels, uitmuntend geschetst.
(') Dichterlijk, voor oppervlakte. 1). i. met inspanning van alle
krachten voorwaarts laat snellen. De vergelijking is zeer goedj voorts
weet men, dat de Tartaren, een volk in Azië, gedeeUclijk van de jagt
icven cn goede boogschutters zijn. ('*) Zoo wordt hier dichteilijk iiet
vuur cn de moed der paarden beschrevrn. Het aanmoedigen.
C^) Pelterijen. (') Met lieftallige woorden of met vrolijke liedjes. Zoo
lieet antonmi-s gceslig de schaatsen, die hij straks ijzeren wieken noemt.