Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
JEilEMIAS 1>E DFXKEIK 85
Geheel van sterfmist zien ])edekken ,
Die zon en glorie van ons Imis C"^) !
Ten laatste hel) ik 't waarde lijk
Zien domplen onder 't zwarte slijk ,
Zien in den duistren grafkuil douwen;
En nog, en nog zie ik den dag-,
Nog durf ik 't harde licht aanschouwen ,
Hoe! hen ik ook nog die ik plag
PUNTDICHTEN EN HIJSCHRIFTEN.
Hoewt'1 dk üfxker üls Puntdichici' nevens huygens »taat, gelijk een
kind bij een' reus, zoo als de lieer u. ii. lulofs zirli aardig en te regt
uitdrukt, cn hij dus bij dezen vergeleken ver moet achterstaan, zoo
is hij toch in vele van die kleine stukjes, naar ons oordeel, niet on-
gelukkig geslaagd. Wij hebben derhalve gemeend nog een paar van
zijne snedige invallen en verniiftige zetten hier te moeten afschrijven ,
die wij met een drietal Bijschriften zullen be^ïu^ten.
(*') Let op de overheerlijke afdaling in dit en het voorafgaande cou-
plet; voorts zijn de beide laatste regels zeer fraai, zoowel wegens de
vergelijking van het aangezigt zijns vaders met eene zon, als vooral
wegens de oorspnmkelijke uitdrukking; ik heb dat aangezigt, hetwelk de
zon en glorie was van ons huis, geheel van sterfmist zien bedekken, voor
dc meer gewone: ik heb dc kleur des doods zich daarover geheel zien uit-
breiden. Hier komt het diepgeschokte hart des dichters trefiend
uit: nadat hij in een paar krachtige regels het begraven van zijnen
vader geschetst heeft, wendt hij zich plotseling als verontwaardigd tot
zich zeiven, vraagswijze uitroepende: hoe! ik leef nog, ik durf het
rampzalig licht nog aanschouwen; ben ik nog wel dezelfde, die ik voorheen
plagt te zijn!? — Wij merken ten slotte aan, dat een ieder ten volle
zal moeten beamen, wat wij in de Inleiding en hier en daar in de
aanmerkingen gezegd hebben: verzen zoo innig en roerend als deze
brengen onze aandoeningen als van zelve in beweging, en boezemen
ons hoogachting in, zoowel voor den diep betreurden vader, als voor
den edelen zoon, die zijnen rouw zoo treffend wist uit te drukken.
Ook voor de mondelijke voordraf?t is dit stuk zeer geschikt.