Boekgegevens
Titel: Nederlandsche volksoverleveringen en godenleer
Auteur: Bergh, Laurens Philippe Charles van den
Uitgave: Utrecht: Johannes Altheer, 1836
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1197 C 36
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200001
Onderwerp: Sociologie: folklore, volkskunde: algemeen
Trefwoord: Volksverhalen (teksten), Mythologie, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche volksoverleveringen en godenleer
Vorige scan Volgende scanScanned page
JUBSaBSSB^
136
namelijk, door de Romeinen als voogd der Friezen
aangesteld , zou eigenlijk ffol/e, d. i. in het Friesch
hoofd, geheeten zijn ; deze door de Friezen ver-
slagen, trok naar Holland dat hij bevolkte, en
zijnen naam Holle-land gaf. Doch het behoeft geen
betoog, dat deze fraaije afleiding door de kronijk-
schrijvers verzonnen is, nadat zij Tacitus gelezen
hadden, en geenszins onder de volkssagen gerang-
schikt kan worden.
Eindelijk komen wij aan den vermaai-den togt der
Saxen en Friezen naar Groot-Brittanje, die in de
geschiedenis genoegzaam bekend is , maar waarbij de
geschiedschrijvers in de opgaaf der volkeren, die daar-
aan deel namen, verschillen. Gewoonlijk worden alleen
de Anglen en Saxen genoemd, die eene streek van
het noordwestelijke Duitschland in bezit hadden ;
doch wanneer men weet, dat de schrijvers der
middeleeuwen ook Friesland tol Saxen rekenden,
kan het niet bevreemden, dat beide volkeren zich de
eer dezer verovering toeeigenden 1). Ook waren zij
volgens de Friesche volkssage stam- en taalverwanten.
Doch het is eene andere vi'aag, of Hengist en Horsa
uit het Friesche koningsbloed gesproten waren.
Wij zagen, dat de Friesche overlevering, die dit
stelt, zelve twijfelachtig is , en des twee Hengisten
en Horsas noemt, de eersten zonen van Udolf Ha-
i) Zie Jlapiii Thoyras , Vol. I. pag. 5g. Ook F. Sjoerd ,
vou Wicht en Wiarda erkennen de deelneming der Friezen.
Vrofr. Rask. heeft ze geloochend, op grond, dat de oude
Anget.saxische kronijk van hen geene melding maakt; doch
dit gevoeltu is vrij goed wederlegd door Kettenia in de