Boekgegevens
Titel: Verhalen en leerrijke voorbeelden uit de vaderlandsche geschiedenis, voor de jeugd: met platen
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1840
Opmerking: Oorspr. titel: Verhalen en leerrijke voorbeelden voor de jeugd, benevens eenige bijzonderheden wegens de groote en kleine visscherijen. - 1824
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1199
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206487
Onderwerp: Geschiedenis: geschiedenis van Europa
Trefwoord: Geschiedverhalen, Nederland, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verhalen en leerrijke voorbeelden uit de vaderlandsche geschiedenis, voor de jeugd: met platen
Vorige scan Volgende scanScanned page
s waardoor zijn bek niet zeer wijd is. In den onder-
i kaak heeft hij tanden, welke in gaten in den bovensten
i kaak sluiten; boven op den bek heeft hij een blaas-
xi gat, waardoor hij het water opwerpt, of uitspuit,
[il Zijne lengte is 25 voeten of daaromtrent. Hij heeft
^ twee vinnen ter zijde van het ligchaam; maar geene
op den rug. Zijn staart, en die van al de soorten
van cachelotten, ligt vlak op het water, even als
van alle walviseh-soorten.
De Pot-Visch of Pot-Walviseh. Dezelve is bijna
zoo groot als de Groenlandsche walviseh, en omtrent
van dezelfde gedaante, doch loopt smaller naar ach-
teren. Zijn kop is zeer groot, en maakt omtrent de
helft van het geheele dier nit; dezelve is stomp aan
de voorzijde, en daardoor vooraan den bek geheel
plat, zoodat de geheele gedaante van den pot-visch
veel gelijkt naar eene omgekeerde schoenmakersleest.
In deszelfs onderkaak zijn 42 tanden, welke in zoo-
vele gaten in den bovenkaak sluiten, waarin hij geene
tanden Iieeft. Zijne oogen zijn klein; boven in den
nek heeft hij een blaasgat, waardoor hij het water
opwerpt; aan elke zijde van zijn ligchaam heeft hij
eene vin , maar geene op den rug. Zijn rug is rond
en zijne huid hard, zijnde bovenaan zwartachtig bniin,
en aan den bek wit; zijn spek is zeer dik. Deszelfs
voedsel bestaat in visschen, waaronder van eene tame-
lijke grootte, welke hij met veel vlugheid vervolgt;
ook eet hij zeekatten [sepias), en wel van die soort,
welke men veelvoet- of achtpootige Zeekat noemt,
en welke vrij ^root zijn.
Behalve de traan enz., bekomt men van deze soort