Boekgegevens
Titel: Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Auteur: Funke, Karl Philipp; Bruining, Gerbrand
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1804-1805
Opmerking: Vert. van: Sittenspiegel für die Jugend. - 1800
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 355 E 5
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206287
Onderwerp: Pedagogiek: terreinen van opvoeding: overige
Trefwoord: Etiquette, Moraal
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Vorige scan Volgende scanScanned page
(58
DE V L E IJ E R.
in geenen deele gelooven, dat dezelve zoo goedkoop
is, als hem verzekerd wordt. Hy bewondeit het
fchoone fervies, het fyne tafellinren, de kristal-hel-
dere glazen ; kortom , daar komt hem niets voor,
wat hy niet vooitreflyk en uitnemend fchoon vindt.
Voomaamlyk verkeert zyne vleijery omtrent vrou-
wen. Hare geftalte, haar opfchik, haar gefprek,
geeit hem duizend gelegenheden, om haar te pryzen,
en te bewonderen. Hy weet, dat de meesten geem
zoo iets hooren, en dat men niet altyd fyn gefpon-
nene vleitaal noodig heeft, om haar te behagen.
Anders is de vleijer zeer behendige om de zwakke
zyden der menfchen te ontdekken, en hen daar aan
te grypen, waar hy zeker weet ingang te zullen vin«
den. Bejnerkt hy, dat eene dame geem geleerd
fchynt^ dan fpreekt hy met haar van geleerde za-
ken, en roemt hy hare belezenheid en geleerde ken-
nis, als of men daarvan zelfs by geleerden van be-
roep zelden zoo veel aantrof. Met eene vriendin van
den opfchik fpreekt hy over de modes, en hy ont-
haalt haar op de grootfte loffpraak over hai-e fmaak-
volle dragt, enz.
Offchoon deze vleijers juist wel geene kwade oog-
merken hebben ; zy ftichten echter gewislyk veel
kwaads en niets goeds. Want zy vuren ligdyk hoog-
moed en ydelheid aan. Buiten dien zyn zy, voor
elk weldenkend mensch, verachdyk, dewyl zy de
waarheid zoo weinig achten, en geene zelfftandig-
heid of veerkragt bezitten.
XII.