Boekgegevens
Titel: Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Auteur: Funke, Karl Philipp; Bruining, Gerbrand
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1804-1805
Opmerking: Vert. van: Sittenspiegel für die Jugend. - 1800
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 355 E 5
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206287
Onderwerp: Pedagogiek: terreinen van opvoeding: overige
Trefwoord: Etiquette, Moraal
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Vorige scan Volgende scanScanned page
a8 i)E MORSIGE.
gemadlit! Nu bevochrigt by gezwind zynen zakdoek
n'et fpeekfel, en maakt be ,\ eging , om zyne kuur
aan te vangen. Ja verwondert zich niet weinig, dat
hy , voor zyne goedwilliglieid , viy onzacht te rug
geftooten wordt.
Nog meer tegenzin ?al de aanfchouwing van een
meisje, wier voornaamfte opfchik in de zindelykheid
beftaan moest, vewekken, als zy er onordelyk en
vuil uitziet. De morfigheid loopt, by perfonpn van
het vrouwlyk gedacht, te meer in het oog, daar zy,
gemeenlyk, meer wit goed en lijnnen in hare dragt heb-
ben, dan mansperfonen, en daar men te regt vordert,
dat zy meer zorgvuldigheid aan het uiterlyke hefteden
zullen. Ligtzimiigheid en traagheid maken, intusfchen,
een meisje even zoo onverfchillig voor het geen wel of
kwalyk ftaat, als een jonge, Ik ken eene reeds taam-
lyk volgewasfene mejufier, zoo als men haar gemeen-
lyk noemt, die in huis , den ganfchen dag door,
als eene asfche poester loopt. De hai-en hangen haar
verward om den kop; een halsdoek , vol poniade
■ en poeder , bedekt flechts eene zyde van de borst.
De borstrok is niet ordelyk tocgeregen , maar losjes
toegefpeld ; zoo dat zy er uitziet, als eene zoogende
vrouw. Meer dan twee rokken aan te trekken , zou
haar veel te ongemaklyk wezen. En eene voorfchoot
— dat haalt zy flechts voor den dag, als zy eens op
ftraat komen moet. De moeder, de eenige, die haar
opvoedt, want haar vadei- is reeds lang dood , pre-
dikt het dogteitje , van den morgen tot den avond ,
voor ; maar , daar zy fteeds te weekhartig was , om
ftrenge maatregelen te gebruiken, predikt zy voor doo-
ve ooren. Foor wien zal ik my dan te huis op*
fchikken ? andwoordt de fnippige dogter: in huis is
het immers goed genoegl .ik moet myne besteklee-
deren fparen. Dit laatfte is wel flechts een voor-
wendzel j maar het is echter, in zoo ver, werklyk
gegrond, als zy, uit hoofde van haar ligtzinnig ,
wild.