Boekgegevens
Titel: Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Auteur: Funke, Karl Philipp; Bruining, Gerbrand
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1804-1805
Opmerking: Vert. van: Sittenspiegel für die Jugend. - 1800
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 355 E 5
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206287
Onderwerp: Pedagogiek: terreinen van opvoeding: overige
Trefwoord: Etiquette, Moraal
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE BALDADIGE. 13
„ Intiisfchen kwam de hond van mynen vriend, een
kleene hazewind , ^ in de zaal. Kareltje , die
daar ook wederom ingellopen was , wilde hem van-
gen, en jaagde hem de kaïner rond. Baffende fprong
het dier over ftok en blok. Baffende vervolgde de
wilde jager het. De (Iepen der dames, en de koufen
der heeren, werden niet verfchoond. En het alarm
was orbelchryflyk. Eindelyk kroop de hond onder
eene tafel, waarvoor ik ftond. Kareltje kroop
hem na: maar de hond ontweek hem. En toen K a-
reltje zich oprigten wilde, greep hy den fchoot
van myn rok, en rukte my de zyden voering — krak
— daainit. Ik kon my naauwlyks bedwingen, om
den kleenen booswicht niet, voor het volle gezel-
fchap , te tuchtigen. Alleen bond de achting voor
het huis van mynen vriend mynen toom in. Offchoon
een ieder mynen nieuwen rampfpoed op het hoflykfte
fcheen té beklagen; zag ik ér echter, met mynen ge-
fcheurden rok, zoo drollig uit, dat men my onmoog-
lyk met een emftig gelaat kon aanzien. Myn vi'iend
haalde my eenen rok van hem , waar tegen ik den
fnynen verruilde. Daar hy intusfchen een hoofd klee-
ner is, dan ik , zoo fcheen zyn kleed aan myn lyf
een matrofen wambitis. Toen maakte ik my tot den
aftogt gereed. Want ik wilde my aSn het oog van
het gezelfchap ontti-ekken. Reeds had ik myn hoed
in de hand, toen men my herinnerde , dat het nog
dag was, en myn kluchtige opfchik my een geleide
van ftraatjongens verfchalFen zou. Ik moest dan wel
befluiten, om het vallen van den avond af te wach-
ten , en plaatfte my innisfchen naast een dsr gasten
in eenen armftoel. Ongemerkt geraakten wy in een
ftaatkundig gefprek over den vrede. Onze begrippen
verfchilden, en de ftryd werd lang en heet. Plots,
lings ftormden zes perfonen te gelyk op my aan: u-
v/e paruik! riepen zy: uwe paruik! Verfchrikt
greep ik naar myn hoofd. En, zie daar, zy ilond
in