Boekgegevens
Titel: Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Auteur: Funke, Karl Philipp; Bruining, Gerbrand
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1804-1805
Opmerking: Vert. van: Sittenspiegel für die Jugend. - 1800
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 355 E 5
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206287
Onderwerp: Pedagogiek: terreinen van opvoeding: overige
Trefwoord: Etiquette, Moraal
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Vorige scan Volgende scanScanned page
12 OiE BALDADIGE.
op myn hemd, en meende van toom te barsten. Nog-
thands ftelde ik my aan als onverfchillig, om geen
mangel aan beleefdheid te verraden. Kortom, waarde
vriend ! het is my onmooglyk, u al het ongemak te
verhalen, dat de nabuurfchap van den kleenen my
veroorzaakte. Hy volgde de aandrang der natimr zoo
onbepaald op, dat het fomwi^den door de ganfche ka-
mer mufte. Men zag elkander ?an, men nam een
fnuifje, en het vermoeden viel niet altyd op den
fchuldigen. Een andermaal bedierf een ongefchikt nie-
fen van den boef my een heerlyk ftuk aal, dat ik op
myn bord had. Nu kwamen er, uit dezen en genen
hoek, wel bytende fchimpfcheuten, die voor een
wel opgevoed kind zeer gevoelig zouden zyn geweest:
maar zy fnorden de ooren van Kareltje voorby."
,, Eindelyk nam deze eeuwige maaltyd een einde.
Men keerde in dc zaal te rug, om koffy te drinken.
Ik deed het ilaande, en hield juist myn fchoteltje in
de eene en het Icopje in de andere hand, toen de
kwade jongen den inval kreeg , om met myn horolo-
gie ketting te fpelen. Ik wilde hem ontwyken , en
trad te rug ; maar juist daardoor verhaastte ik myn
ongeval. Hy brak my een aardig gewerkt gouden hart-
je , dat voor my eene onfchatbare waarde had. Het
was eene gedachtenis, welke my fteeds de dierbare
hand, die my het gaf, herinnerde. Toen hy het aan
ftukken brak, viel eene met een kettingje omwonde-
ne fchoof van menfchenhaar daar uit. De booswicht
raapte ze op, liep heen, en riep , wat hy kon :
kykl kykl een kleene bezem! een kleene bezem!
Ik liep hem na : geef my dat ding te rug , lieve
jonker ! ik kan het u niet laten! Maar vergeefs.
Hy fprong de deur uit, liep door het huis, de trap-
pen af, naar de keuken , en verborg zich , ten laat-
fte, in den ttiin. Kortom, de hemel weet, waar
hy met myn kleenood bleef. Verlo;en was dat on-
fchatbare , en, helaas! nimmei- te vergoedene,
heiligdom." „ In-