Boekgegevens
Titel: Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Auteur: Funke, Karl Philipp; Bruining, Gerbrand
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1804-1805
Opmerking: Vert. van: Sittenspiegel für die Jugend. - 1800
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 355 E 5
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206287
Onderwerp: Pedagogiek: terreinen van opvoeding: overige
Trefwoord: Etiquette, Moraal
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Vorige scan Volgende scanScanned page
/ 5Ö A F B É É L D I N G
nen ftoel aan te biéfleB ; 'fiiaar hy ftaat, of zit, ook
niet als een blok ; vranneer een ander iets vallen laat,
zonder te bukken; öm het op te rapen. Hy praalt
niet met zyne talenten, maar zoekt ze ook niet te ver-
bergen, zoo haast hy daaraiee aan het gezelfchap plei-
zier kan doen , én plaatst zich gewillig en zonder'
eeuwige komplimenten, en verontfchuldigingen van
zyne onbekwaamheid , aan het klavier , wanneer men'
hem verzoekt, om daatop te fpelen. Geein mengt hy
zich in vrolyke klingen. En zoo lang eenig fpel, of
eenige 'Verlustiging, binnen de grenzen der zedelyk-
heid blyft, ftoort hy ze door geene weigering, om-
daar ann deel te nehien; al heeft hy ook in de daad
geene regte gefchiktheid daar toe; Hy dwingt zich
zeiven, om vrolyk të wezen j als hy in gezelfchap-
pen verfchynen moet, en noodzaakt de aanwezigendoor
geen treurig gelaat tof de vi-aag: wat hem toch deere?
Behoedzaamheid en voorzigtigheid , zonder beleedi-
gende achterhoudendheid en krenkaid mistrouwen, of,
van eene andere zyde, opregtheid zonder onbezonnene'
openhartigheid, zyn de voomaamfte eigenfchappen van'
zyn gedrag. Hy fpreekt niet tegen zyne overtuiging,
en zal ook de waarheid, in geen opzigt, prys géven:
maar hy rekent zich ook niet verpligt, om haar over-
al te zeffgen. Hy weet te zwygen, waai- zy niéts baat,^
en hy zich , daar door, flechts benadeel én zou. Hy
fpreekt wel van niemand kwaad, toont zyne geestigheid
nimmer ten koste van anderen, en zal dus, daardoor,-
niemand beleedigen ; maar eer hy het waagt, om er-
gens een woord, ten nadeele van eenigen perfoon, te
fpreken, al betreft het een neg zoo onverfclüllig on-
derwerp, moet hy eerst zyn gezelfchap kennen, en ze-'
ker zyn, dat geen bloedverwant, of goede vriend van
den ander daar tegenwoordig is< Want hy weet, dat
zulke dnvoorzigtige, uitvallen hem niet Hechts in de
grootfte verlegenheid brengen, maar hem ook meenige
vyandfchap op den hals kunnen halen.
Even zoo behoedzaam is hy ook , ten opzigte van
den