Boekgegevens
Titel: Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Auteur: Funke, Karl Philipp; Bruining, Gerbrand
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1804-1805
Opmerking: Vert. van: Sittenspiegel für die Jugend. - 1800
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 355 E 5
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206287
Onderwerp: Pedagogiek: terreinen van opvoeding: overige
Trefwoord: Etiquette, Moraal
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE BYGELOOVIGE. 105
Daar voor weet hy fpoedig raad. Hy behoeft flechts
een draad daa'-om te winden , en dezen te bedelven.
Want zoo haast de draad verrot, zal men de wratten
oogenbliklyk zien verdwynen.
Op foort gelyk eene wyze zoekt hy zich nu ook
voor ziekten te beveiligen , en dezelven voor te ko-
men. Hy draagt een zwart wollen bandje , dat hy
van iemand van de andere fekfe kreeg, om den hals,
en ini is hy tegen alle krankheden aan dit deel des
ligchanms beveiligd. Het eerfl;e viooltje, dat hy vindt,
eet hy op , om , in het loopende jaar geene koorts te
krygen. Met water, midden in den nacht voor Pa-
fchen of Pinkfteren, uit een ftroomaid water gefchept,
wascht hy zich vlytig, om een jeugdig gelaat te
behouden.
Wanreer intusfchen al deze behoedmiddelen niets ba-
ten, en al zyne fympathetifcbe middelen tot zyn groot
verdnct werl.Ioos zyn , zal hy echter nog geenen
verflandigen raad aannemen, maar vooreerst elk huis-
middeltje gebiuiken , dat een of ander oud wyf hem
aanraadt. Doet dit ook de gewenschte uitwerking niet,
dan zoekt hy hulp by water dokters, en fcherjireg-
ters. Alle kwakzalvers en wonder - dokters, hebbeq
aan hem eenen goeden klai t. Hy flaat geloof aan hun-
ne fnorkery en , en neemt liun dgcmeen middel voor
alle kwalen genistlyk in ; al blykt ook uit tien voor-
beelden, die hy voca- oogen heeft, dat het niet flechts
niets baat, maar ook zelfs groot nadeel doet. Hier
voor weet hy altyd eenige rede op te geven; en daar
en tegen weet hy honderd voorbeelden van het tegen-
deel aan te voeren. Het eene heeft hem zyne groot-
moeder verhaald, die het van hare tante had gehoord,
aan welke het gefchreven was door eene fchoonzuster,
wier moeder het ondervonden had. Het andere wil
zyne meid bezweren , wier overgrootmoeder het zel-
ve beleefd heeft.
Verliest hy eenig ding van waarde, of wordt het
G 5 bem