Boekgegevens
Titel: Gronden der natuurkunde, getrokken uit het Natuurkundig schoolboek
Serie: Stukken het schoolwezen betreffende, 10: 5
Auteur: Buijs, Johannes
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon
Deventer: J.H. de Lange
Groningen: J. Oomkens en zoon, 1818
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 435 : 10 (5)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206108
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gronden der natuurkunde, getrokken uit het Natuurkundig schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
38 CRONnEN DE«.
§• 103.
Daar de Maan, donker of nieuw zijnde, zich tus-
fchen de Zon en de Aarde bevindt, moet zij, nu en
dan, het licht der Zon beletten op onze Aarde te
vallen, en op dezelve eene donkere vlek maken; dit
noemen wij Zonëklips of Zonsverduiftering. Zoo
ook moet de Maan, als zij vol is, en de Aarde
tusfchen de Zon en haar inftaat, eene donkere
plek verkrijgen, van de fchaduw, welke de Aarde
op haar werpt, en dit heet men Maanëklips.
Dat bij iedere Volle Maan geene Maanëklips, en bij
iedere Nieuwe Maan geene Zonëklips plaats heeft,
is toe te fchrijven aan de fianden der Aarde en
Maan tot de Zon, als zijnde meestal in geene
regte lijn.
s- 104.
Bij de behandeling der aantrekkingskracht (§.
17—24.), zagen wij reeds hoe alles door de Aarde
aangetrokken wordt, even zoo trekken ook al
de Hemclligchamen elkander aan. De Zon trekt
alle Planeten tot zich, en zi.) zouden ook in de
Zon vallen, indien geeae andere kracht van weg-
vlieding haar wederhield, zoodat zij tusfchen de
rigting dier twee krachten in, hunne kromme loop-
baan om de Zon befchrijven; dus trekt de Aarde
de Maan en ook weder de Maan de Aarde aan;
daor welke aantrekking de wateren der Zee rijzert
en dalen, en de Vloed en Eb veroorzaakt worden ,
zoodat de wateren der Aarde, omtrent op de plaats
waarboven de Maan zich bevindt, en aan de
tegenovergeflelde zijde, oprijzen, en den Vloed
veroorzaken, terwijl de tusfchenflianden Eb heb-
ben ; hierdoor is het op de Zeeën onzes Aard-
bols om de zes uren hroog en laag water.
S- 105.