Boekgegevens
Titel: Gronden der natuurkunde, getrokken uit het Natuurkundig schoolboek
Serie: Stukken het schoolwezen betreffende, 10: 5
Auteur: Buijs, Johannes
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon
Deventer: J.H. de Lange
Groningen: J. Oomkens en zoon, 1818
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 435 : 10 (5)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206108
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gronden der natuurkunde, getrokken uit het Natuurkundig schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
3« gromden der.
zijn, wcllce bladeren ook voorzien zijn van Op-
perhuid, fchors, houtachtige zelfftandigheid en
celachtig weeifel; dit laaifte ligt in het midden
des blads tusfchen het (doorgaans ) dubbtl
houtachtig net, welk net op de beide zijden van
het blad, met een bijzonder huidje of vliesje
overdfkt is, de opperhuid genaamd, welke voor-
namelijk met opflorpende vaatje« is doorvlochten.
86.
Deze bewerktuiging der bladeren dient voor-
rsmelijk tot onderhouding van die bewerking,
welke bij de dieren ad-mhalitjg heet: zij florpen
lucht in, cn fcheiden het koolzuur tot hun voed-
fel af: wafemende het overtollig koolzuur • gas
<vaste lucht) weder uit. Deze gewigtige bewerking
gefchiedt het alierfterkst in de duisternis: bij dag
en vooral wanneer de zon fchijnt, gefchiedt dit
langzamer, waardoor de plasten, minder koolzuur
bereiden, maar daarentegen door de werking des
lichts, het zuurflof-gas (zuivere lucht) ontbin-
den, en in den dampkring onthsten.
i' 87.
Even als bij de dieren, telen ook de planten
voort, door de werking der onderfcheidsne ge-
flachten op elkander, welke in de bloemen plaats
heeft, als waartoe in dezelve de vefeischte deelen
gevonden warden. Rij fommige zijn de geflachten
geheel van elkander gefcheiden, dat is, dat de eene
plant alleen manneliike, de andere alleen vrouwelijke
bloemen draasft. Bij andere bevinden zich manne-
lijke en vrouwelijke bloemen aan eenen en denzelf-
den flam, 'loch bi.j de meesten zijn de beide ge-
flachten in eene en dezelfde bloem vareenigd, en wel
zoodanig, dat in den bloeinliclk, de middelde bloem-
ftijl het vrouwelijke, en de daar omhcendaande klei-
ne