Boekgegevens
Titel: Gronden der natuurkunde, getrokken uit het Natuurkundig schoolboek
Serie: Stukken het schoolwezen betreffende, 10: 5
Auteur: Buijs, Johannes
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon
Deventer: J.H. de Lange
Groningen: J. Oomkens en zoon, 1818
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 435 : 10 (5)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206108
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gronden der natuurkunde, getrokken uit het Natuurkundig schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
natourkunde« if
Luchthuizen of luchtvormende vaten , welke al-
tgd gas of luchtfoorten in zich bevatten. De lucht-
buizen zijn fpiraalvormig, omwonden met de
vochtvoertnde vaten, bijna zoodanig ais fommige
muzijk - fnaren met zilverdraad omwonden zijn,
doch men befpeurt tusfchen de menigerlei vocht-
voerende vatea geen zoodanig verband, dat in de-
zelve een wezenlijke omloop van vochten , gel^k bij
de dieren, zoude plaats hebben.
«3.
Behalve dat de planten haar voedfel uit de voch-
ten van den grond, door de wortels, optrekken , zoo
zuigen zij tevens ook nog veel voedfel in, uit den
dampkring , door middel der opflorpende vaatjes,
welke vooral in de bladeren, bij menigte, gevon-
den worden.
§. 84.
De ftam, ftengel of halm der planten, is van
buiten met eene fijne opperhuid bedekt, waar-
onder de fchors en de binnenbast liggen, welke
laatfte bijna geheelenal uit de krachtigile vochtvoe-
rende vaatjes beftaai, en daarom tot den groei der
planten het allergewigtigfle bijdraagt. Meer binnen-
waarts ligt de houten zelfftandigheid ; deels tus-
fchen deze, doch inzonderheid langs het midden
van den ftam, gaat het zogenaamde merg, hetwelk
bij toenemenden ouderdom bijna geheel verdwijnt.
Jaarlijks vereenigt zich het hout met den binnen-
bast door verharding der alsdan uitgediend heb-
bende vochtvaatjes, waardoor ieder jaar twee nieu-
we kringen of houtlagen, het fpint namelijk,
wordt voortgebragt.
s. 85.
De ftam verdeelt zich meestal in takken, deee
wederom in feheuten, waaraan d« bladeren vast