Boekgegevens
Titel: Gronden der natuurkunde, getrokken uit het Natuurkundig schoolboek
Serie: Stukken het schoolwezen betreffende, 10: 5
Auteur: Buijs, Johannes
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon
Deventer: J.H. de Lange
Groningen: J. Oomkens en zoon, 1818
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 435 : 10 (5)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206108
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gronden der natuurkunde, getrokken uit het Natuurkundig schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
14l S R O M P X N D E a
Het MstalUjne vocht. Dit Het midden in het
en beftaat uit zeer helder doorfchiinen*
de plaatjes met een vocht tusfchenbeide;
heeft de gedaante van een bol geftepen glas,
en wordt opgehouden door eene fpier, welke
men haarsgewijpen band noemt, omdat de-
zelve uit kleine vezeltjes is zamengefteldga-
lijkende naar oogharen.
Het vederachtige vocht. Dit verwit de voorfte
ruimte van het oog van het hoornvlies tot aan
het kristallijne vocht. Dit vocht is zoo dun
als water, en groeit ook weder aan, als het
door een. of ander toeval is «itgelo'^pen.
• Het glasachtige vocht. Dit vocht beflaat de ge*
; heele binnenhoUe van het oog tot achreraan
toe; gelikt veel naar gefmolten glas, en is dus
zoo vloeibaar niet als'het waterachtige vocht,
doch vloeibaarder dan het kristalUjne; hetzelve
onderfteunt het netvlies, en houdt het op de
behoorlyke plaats, waarop het, om viel tt
, zh», zoo naauwkeurig aankomt.
^ {^PiDef met dierUjke oogen tt ontleden.)
$• 356.
Om wel en duidelijk te zien, moeten de voch-
ten des oogs zoodanig gefield zijn, fiat de licht-
ftralen , die van de voorwerpen in het oog vallen,
juist, te zamen gtbragt worden op het netvlies
achter in het oog^ want even zoowel als men in
eene donkere kamer het fcherm, om de voorwer-
pen duidelijk te zien. juist zuo moet plaatfen,
éat de piuiten der lichtkegete op het doek vallen,
»00 moeren ook, om duidelijlv en fcherp tï zien, dé
punten der lichtpenfeelen juist op het netvlies
k' men, en daar het beeld afieckenen,in eenen omge-
keetden ftand.
(Proef