Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
94 NEDERDUITSCHE
5. 113, Vrouwel'yk zijn ook alle woorden, wel»
ke in heid uitgaan. Zü zyn van bijvoegeliike naam-
woorden of deelwoorden afkomstig, en beteekenen
ée hoedanigheid van dat woord, als: regtvaa'digheidy
grootheid, goedheid, wellevendheid, belezenheid enz.
134. Zoo ook de woorden, op te uitgaande,
welke van bijvoegelijke naamwoorden afgeleid zijn,
als: hoogte van hoog, duurte van duur, flaauwts
van flaauv enz.
§. 125. Behalve deae , zijn er nog verscheidene
andere zelfstandige naamwoorden van werkwoorden
afgeleid, welke, mede in te eindigende, vrouwelijk
zijn, als: moeite, schaamte, stet f te, teelte C thans
meest teelt), van moeijen, schamen, sterven, telen.
En met weglating van e, dragt, klagt, slagt enz.,
van dragen. Hagen, slagen (nu slaan). In deze
wijs van afleiding is ook de reden van het vrou-
welijke geslacht te zeeken in de wcwrden, met ^
en ge beginnende , als: begeerte, behoefte, gelofte,
van begeer en, behoeven, loven {beloven).
126. Ook heeft het vrouwelijke geslacht
plaats in de woorden geboorte, gedaante, gedach'
te enz., van de lijdende deelwoorden geboren, ge-
daan, gedacht, afko'nstig.
§ 127 Wij zouden nog andere regels omtrent
het vrouwelijke geslacht der zelfstandige naam-
woorden , als uit derzelver uitgangen kenbaar,
kunnen opgeven; doch deze zijn aan te veel uit-
zonderingen onderhevig, waarom wij liever tot
andere beschouwingen overgaan,