Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
SPRAAKKUNST. fl?
Vriesclien tongval, als ie uitspreekt, en voor been,
Hen, voor beest, biest, voor een, ien, voor meest,
miest, voor steen, stien, voor wek (zacht), wiek
zegt; terwijl dit bij de zacht-lange e, 'm beek,
hetgeen, veel, week (zeven dagen) enz. volstrekt
geene plaats heeft En hoort men, in Gouda,
broad, droam , koapcn , en luapen zeggen, dan
weet men zeker, dat die woorden de scherp-lange
O vereischen , terwijl men daar nimmer kualen,
koamen, maar altoos koken, komen, met de zacht-
lange O zal hooreu.
§. 05. Een niet minder afdoend bewi's voor de
wezenlijkheid der scherp-lange e is gelegen in de
verwisseling van dezelve met den tweeklank ei,
welke in sommige woorden en derzelver afstamme-
lingen opgemerkt wordt. Zoo sprak en schreef men
oudtijds hcilen (waarvan ons Heiland'), teiken^
allein, deilen, meinen, ein, deig enz., waarvoor
men thans heelen, teeken, alleen, deelen, meenen,
een, deeg enz. bezigt. Daarentegen sprak en schreef
men dreegen, verbreeden, y/eenig enz., waarvoor
thans het gebruik dreigen, verbreiden, weinig enz.
cischt. Van hier ook, dat wij heden nog onver-
schillig hooren bleek en bieik, kleen en klein, ge'
meente en gemeinte, vleesch en vhisch,
§. 26.
(♦) zie Aauleidiitz tot dt istinitse van bet vtrbtveu deel der
Ntderdiiitscie sprake, van l. ten kate, I. D. bl. IS7.
B 4