Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
3O5
«98, nederduitsche
3. Over de omzettingen, of afwijkingen van
de gewone woordschikking.
256. De Nederduitsche taal is aan de drie
voorgedragene soorten van woordschikking niet
zoo gebonden, dat zij niet, zoo tot afwisseling
van de rede, als ter bevordering van den nadruk,
daarvan zoude kunnen afwijken. Wij zijn niet
gedwongen , om, bij het mededeelen van onze
voorstellen en begrippen , in alle gevallen, den
gang der koude gewaarwording te volgen; maar
wij kunnen ook daar, waar wij het voor ons oog-
merk dienstig achten, de taal des gevoels en der
verbeelding bezigen, dat is, wij kunnen een denk-
beeld , hetwelk wij boven anderen willen doen uit-
steken, uit zijne gewone plaats ligten, en hetzel-
ve daar zetten, waar het de opmerkzaamheid het
meest naar zich trekt. En dit geschiedt bijzon-
derlijk, wanneer wij dit denkbeeld de plaats van
het onderwerp der rede doen innemen. Ik bemin-
de haar eens teederlijk is de gewone woordschik-
king , en hier is ik het natuurlijke onderwerp, dat
als het hoofddenkbeeld beschouwd, en daarom
ook door den nadruk der uitspraak onderscheiden
wordt. Maar vordert het, oogmerk van den spre-
ker, om een ander deel der rede als het hoofd-
denkbeeld voor te stellen, dan kan hij zeggen:
haar beminde ik eens teederlijk', of: eens beminde
ik haar teederlijk; of: teederlijk beminde ik haar
eens.
S- 257.