Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
SPRAAKKUNST. l6i
vreemdeling verkocht. En dit heeft ook plaats ,
wanneer de inhoud van den vierden naamval meet
bedoeld wordt, dan die van den derden: openbaar
uwe geheimen aan niemand. Geef dezen raad aan
alle menschen. Doch daarentegen : geef ifwen broe-
der dez'n raad, dewijl de nadruk hier meer op
uwen broeder, dan op raad valt.
a»8. Is een van beide de naamvallen een voor-
naamwoord, dan volRt hetzelve onmiddellijk op het
werkwoord: geef hem goeden raad', geef hetzelve
üven broeder,
229- Zijn de beide naamvallen voornaamwoor-
den, dan gaat de vierde gemeenlijk voor den der-
den: zeg dat mij', geef hem haar. Dikwerf kan
ook de derde naamval voor den vierden staan;
want men zegt ook: zeg mij dat-, en zoo wel: ik
wil u haar toevertrouwen, als: ik wil haar u toe-
vertrouwen.
§ 230 Wanneer de persoon in den vierden, en
de zaak in den tweeden naamval staat, dan wordt
de persoon eerst genoemd: hij schaamde ziek zij-
ner nederige geboorte nief, ontferm u mijner,
§ 231. Heeft het werkwoord twee vierde naa/n-
vallen bij zich, dan wordt die, welke het persootf»
lijke voorwerp uitdrukt, altijd vooraan geplaatst:
hij heeft hem eenen verrader des vaderlands ge-
noemd.
S. 232. Heeft een werkwoord, behalve het on-
middellijk beiieerschte woord, nog een zelfiJtanc'ig
T 4. naam-