Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
spraakkunst.
261
woordje te. Met de onbepaalde wijs zonder te
worden verbonden, i. die werkwoorden, welke
slechts eene algemeene omstandigheid van iedere
handeling aanduiden, terwijl de handeling zelve
in de onbepaalde wijs uitgedrukt wordt. Deze
zijn: dun'en, kunuen, laten, mogen, moeten, zul-
len, villen, als; ik durf niet spreken; htj kan niet
loopen; iets laten vallen; wat mag dat beduiden?
ik moet vertrekken; het zal geschieden; dat nil
zeggen; 2. eenige andere, waarbij de volgende on-
bepaalde wijs de plaats van een zelfstandig naaji-
woord bekleedt. Deze zijn voelen, helpen. huoren,
leeren, zien, noemen en haten, als; ik voel mijn
hart kloppen; iemand hclpm arbeiden; ik hoor hem
roepen; hij leert lezen; ook voor onderivijzen:
nood leert hidlen; ik zie hem komen; dat noem ik
slapen; dat heet ik schrijven (maar vour bevelen
genomen , heeft het de onbepaalde wijs met te
achter zich) enz.
§. 150. Zoo ook blijven, met de onbepaalde wijs
van zulke werkwoorden , welke eenen toestand
beteekenen, als: hij blijft zitten, enz.; gaan, om
het oogmerk daarvan aan te duiden : zien,
enz.; en in de gemeenzame verkeering: gaan eten,
gaan melken, gaan zitten, gaan schrijven, enz.;
komen, in de beteekenis van eene nadering, of
een wezenlijk komen van de eene plaats naar de
andere: ik kom morgen bij u eten, enz.; vinden,
om daarmede de wys aan te duiden, waarop men
iets vindt: ik vond hem bij zijnen broeder zitten,
R 3 enz.;