Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
220
(nederduitsche
2. Over de getallen, of het enkelvoud en meer'
voud der werkwoorden.
114. Een werkwoord staat altoos in het zelf-
de getal, waarin de persoon staat, op welken het
betrekking heeft: het kind leert; de vogels zingen»
Wanneer een werkwoord op twee, of meer voor-
werpen des der len persoons bet-ekking heeft, dan
staat het in het meervoud: de roos, de tulp en de
hioeint zijn de schoonste bloemen.
125 Dikwijls wordt insgelijks een werkwoord
in bet enkelvoud gebezigd, schoon hetzelve op
twee naamwoorden betrekking heeft, bijvoorbeeld:
daar was een man en eene vrouw- Zelfs met een
meervoudig naamwoord; doch in dit geval moet
het enkelvoudige werkwoord voor het enkelvoudige
naamwoord gaan, ais: daar was een man en twee
vrcuwen.
S- laö. In geval echter de eigenschap , welke aan
meer dan een voorwerp toegekend wordt, onder-
scheiden is, dan staat het werkwoord in het enkel«
voud, terwijl het eenmaal verzwegen wordt: twee
henden soldaten, waarvan de eene in de stad, en de
andere in de voorstad ligt, niet liggen.
§. 127. Ook maakt de rekenkunst eene uitzonde,
ring, daar zij, in dit geval, dikwerf het enkelvoud
bezigt: een en twee is drie; zes en drie is negen;
drie maal vier is twaalf.
128, Ook is het meervoud des werkwoords
noodzakelijk, wanneer de meerderheid van het voor-
werp