Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
220
(NEDERDUITSCHE
gelooven. Ik wil ook u, den broeder tan mijnen
vriend, vertrouwen. Schoon, in dit geval, dik-
werf de zoo genoemde vijfde naamval, of de
eerste met een uitroepteeken, gebezigd wordt,
bij voorbeeld: aan u, waarde vriendl wil ik mij-
nen nood klagen. Het voornaamwoord na het zelf-
standige naamwoord te herhalen: gij, aartsschelm,
gij! kan alleen bij eene sterke gemoedsaandoening
plaats hebben.
67. Het voornaamwoord des derden per-
soons wordt, eigenlijk, als betrekkelijk gebezigd,
dewijl het altoos zijne betrekking heeft op iets,^
hetwelk te voren genoemd is, of als bekend on-
dersteld wordt. Wanneer echter de naam eens
persoons, of eener zaak, genoemd wordt, spreekt
het van zelf, dat het voornaamwoord wegvalt.
68. Ter bevordering van de duidelijkheid ech-
ter, kan de naam bij het voornaamwoord gevoegd
worden, in geval het te vreezen ware, dat de toe-
hoorder den eerst genoemden naam uit het geheu-
gen verloren had: hij, uw broeder-, zij, de vrouw
van uwen vriend enz.
69. Het voornaamwoord des derden persoons
volgt, bij persoonsnamen, gemeenlijk, het natuur»
lijke geslacht van den.bedoelden persoon, en niet
het geslacht van het naamwoord, waarmede een
persoon genoemd wordt: de min {Cupidó) ver-
school zich, toen hij zijne pijlen geschoten had\ ik
zag de zen, daar hij zijnen wagen mende; ik keer-
dc