Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
220 (NEDERDUITSCHE
5, 61. Gansch, geheel, half, genoeg, alleen,
tol, enkel, louter, niets, worden ook somwijlen
als bijwoorden gebezigd, en blijven dus onverbo-
gen, schoon zij zelfetandige naamwoorden bij
zich hebben. Men zegge derhalve niet, zij was
enkele vreugd, maar wel, zij was enkel vreugd; —
wij waren geheel aandacht enz.
D. OVER DE VOORNAAMWOORDEN.
I. Bijvoegelijke voornaamwoorden.
§. 62. Alle bijvoegelijke voornaamwoorden vol-
gen, even ais de eigenlijke bijvoegelijke naam-
woorden, het zelfstandige naamwoord, het welk
zij bij zich hebben, in geslacht, getal en naam-
val, en staan voor hetzelve, als: die man', deze
vrouw; uwe dochter; onze kinderen; zijn ongeluk,
ik zeide het mijnen vriend; in deze en gene we-
reld c»;.
63. Dikwijls echter staan zij alleen in betrek-
king tot een kort vooraf gaand zelfstandig naam-
woord; en dan volgen zij hetzelve wel in ge-
slacht en getal, maar hangen, in opzigt tot den
naamval, van het werkwoord af, waarmede zij
verbonden zijn , bij voorbeeld: vliedt de ondeugd,
want die is strijdig met uwe pligten.
2. Per-
(*) Hieruit blijkt de ongepastheid van vader tnze, voor oiizi
vader, en diergelijlce uitdrulikineen meer. Zie a. moonen,
Sjiraaik. bl. 263.