Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
170 ne d erduitsche
y/crdt daar gedaan? en men antwoordt: daar wordt
gezongen, gedronken , of geslapen; dan is dit het-
zelfde, als: heigeen daar gedaan wordt is zingen,
drinken enz.
285, Dat wijders de spreekwijzen met men,
als: men zegt, men schijnt, men wil enz., niet
tot de onpersoonlijke behooren, behoeft genoeg-
zaam niet herinnerd te worden; daar men, schoon
noch getal, noch geslacht aanduidende, echter al-
tijd eenen persoon beteekent, en volgens zijne ei-
genlijke kracht, als zijnde het wortelwoord van
mensch, menschelijke personen te kennen geeft.
286. De vier boven genoemde soorten van
werkwoorden hebben de vervoeging, dat is eene
verandering en verschikking der werkwoorden,
naar vereisch van zekere tijden, wijzen en perso-
nen , met elkander gemeen. De onpersoonlijke alleen
zijn van het laatste uitgesloten, dewijl zij de per-
soonlijke voornaamwoorden ik, gij, hij enz. niet
voor zich dulden, en alleen in den derden persoon
gebezigd worden; gelijk uit het voorgedragene
gebleken is.
3. Over de wijzen der werkwoorden,
g. 287. De verscheidene wijzen, waarop eene
zaak voorgesteld, of van dezelve gesproken kan
worden , noemt men de wijzen der werkwoorden.
De Nederduitsche taal heeft vier zoodanige wij-
zen: de onbepaalde, de aantoonende, de gebiedende
en aanvoegende vijs, a88.