Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
114 NE D ERDUITSCHE
3. Wien, Wie, Wat,
4. Wien. Wte. Wat.
Meervoudig.
Mannelijk, Vrouwelijk. Onzijdig.
i. Wie, Zoo als in het Zonder meer-
£. Wier, mannelijke ge- voud.
3. Wie, slacht.
4. Wie.
Het onzijdige wat, op zich zelf staande, wordt
alleen in den eersten en vierden naamval van het
enkelvoud gebruikt. Zoo zegt men, bij voorbeeld:
wat is dit? Wat leest gij? In andere gevallen ver-
kiest ons taalgebruik het bijwoord waar, bij voor-
beeld: waaraan hapert het? Waardoor geschiedt
dit? Niet: aan y/at hapert het? enz. Echter zegt
men weder, met bijvoeging van een zelfstandig
naamwoord: aan wat tafel hebt gif gezeten"^ dat
is aan welke tafel. Langs wat weg hebt gij het
vernomen^ dat is langs -welken weg. En dus blijft
V/at in alle geslachten en naamvallen onverbogen,
even als 234 is aangewezen. C*)
WELKE.
Enkelvoudig.
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig.
ï. Welke, Welke, Welk,
a. Welks, Welker, Welks,
3. Welken, Welke, • Welken, welk,
4. Welken. Welke. Welk.
Meer-
(*J ziï ook L. TEN KATE, 1. D., bl. 479 en verv.