Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
140
ne d erduitsche
de miiney het mime, de uwe, het uwe de zijnti
het vjne enz. Zoo zegt men, bij voorbeeld: is
dat uwe pen? ik meende, dat het de mijne was.
Dat is niet uw hoek, maar het mijne.
131. Eindeiiik moet nog aangemerkt worden,
dat de onderscheidene spelling van heur en haar,
welke door sommigen waargenomen en voorgestaan
wordt, stellende, dat haar het enkelvoudige, en
heur het meervoudige getal uitmaakt, van allen
grond ontbloot schiint te wezen, terwijl dit ver-
schil waarschijnlijk zijnen oorsprong vindt in eenen
onr'erscheidenen tongvsl Het eerste echter ver-
dient, als het geS'uikeli kste, den voorrang, en
hei laatste kan alleen dan te pas komen, wanneer
men daardoor eene onaangename herhaling van den-
zelfden klank kan vermijden.
5. Fragende Koornaamwoorden.
5. asa. Wij hebben ook eenige voornaamwoof-
de'i, welke eene vraag aanduiden, en daarom vr<i-
gendi voornaamwoorden genoemd worden- Zij zijn
wie, welke, wat. en hoedanige. Met het eerste
vraagt men, in het algemeen, naar personen: wie
heeft dat gedaan? Wiens huis is dat? Met welke
vraagt men bepaalder naar personen , of zaken: wie
heeft u dat gezegd? uw vriend. Welke vriend? Met
wat, dat in alle gevallen onverbogen blijft, vraagt
men naar voorwerpen, van welke nog niet bekend
i8, of het personen of zaken zijn, en, in het laatste
ge»