Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
SPRAAKKUNST.
107
3. Zkh{aanzkh\ Zich Qaan zich) ,
4. Zich, Zich.
Meervoudig.
i.
z. Hunner {van vch)f Zoo als in
3. Zich (aan zich), het enkel-
4. Zich. voud.
Zoo als in het
mannelijke ge-
slacht.
Zegt men, bij voorbeeld; hij bedriegt zich, dan
maken de woorden hij en zich slechts eenen per-
soon uit; hij is het grondwoord, hetwelk den
persoon als handelende voorstelt, en zich is de-
zelfde persoon, doch niet meer handelende, maar
lijdende; en dus keert de handeling tot denzelf-
den persoon terug, van wien zij uitgegaan is.
Zoo zegt men ook: men wachtc zich hiervoor —
niemand onzer heeft zich hierin vergist enz.
S- aai. Hiertoe behooren insgelijks de van de-
zen derden persoon afgeleide voornaamwoorden
zijn, hun en haar, dewijl door dezelve het zelf-
standige naamwoord, waarbij zij gevoegd zijn,
tot den persoon terug gebragt wordt, welke het
naast voorgaande werkwoord beheeischt, als: de
held doorstak den eer loczen met zijn zwaard, dat
js, het zwaard van den held. Wanneer het
zwaard van den eerloozen bedoeld wierd, moest
bet zijn: de held doorstak den eetloozen met des-
^elfs zwaard. Poch dit behoort eigenlijk tot de
woord-s