Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
spraakkunst.
105
kelijk is, en een goed schrijver, zonder dezelve,
duidelijk kan en moet wezen.
aiO- Hier dient ook iets gezegd te worden
aangaande de schrijfwijs van hen en hun . het meer-
voud van hij. De onderscheiding van hen in dea
vierden, en hun in den derden naamval te schrij-
ven, is, hoe weinig gegrond anders ook, echt«
reeds zoo zeer door het gebruik gewettigd, dat
men zich thans daaraan dient te houden, en zij,
hunner (van hen), hun (jian hen'), en hen te be-
zigen; terwijl het den dichteren vrij blijft, hen tn
hun (gelijk ook haar en heur') onverschillig te ge-
bruiken , naar mate hun het een of ander gevoe-
gelijkst voorkomt
217. Om den derden persoon onbepaald aan
te duiden, diene« men, iemand, niemand. Men,
dat van gelijken oorsprong met man en mensch is,
wordt alleen in den eersten naamval gebezigd, en
lijdt geene verbuiging: men zegt. Iemand en nie^
mand ontvangen , in den tweeden naamval, eene s :
niemands vriend enz., en hebben geen meervoudig
getal; gelijk ook men, hetwelk waarsciiijnlijk het
oude meervoud van man is
§. 218. De persoonlijke voornaamwoorden nemen
somwijlen de woordjes alleen en zei/ bij zich; het
eerste, om de tegenwoordigheid van iederen ande-
ren persoon uit te sluiten, als: ik alleen heb het
g'-
(*) zie Verhandeling over de Nederig S^ell, va« ien H30(g
leeraw siEoijiBEEic, bl. S/i en verr.
G 5