Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
130
NE D ERDUITSCHE
dig mijn is, kan straks uw, of zijn wezen. De-
zelfde aaak, welke thans door deze aangeduid
wordt, kan, een oogenblik daarna, gene zijn.
fli2. In zeker opzigt echter zijn de voor-
naamwoorden of zelfstandige , of bijvoegelijke
naamwoorden. Als zelfstandige naamwoorden
staan zij op zich zeiven, en komen in de plaats
van de namen der dingen, ten aanzien van hunne
persoonlijke betrekking, als: ik, gij, hij , het
mijne, het uwe, de mijnen, de uwen. Als bijvoe-
gelijke naamwoorden, komen zij, in tweederlei
opzigt, voor, of bij een zelfstandig naamwoord
geplaatst, of als in betrekking staande tot een
zelfstandig naamwoord; bij voorbeeld: uwe kinde-.
ren leeren gemakkelijk, de mijne niet,
a. Persoonlijke voornaamwoorden.
§. 213. Alle zelfstandige dingen, levende of le-
veniooze, komen, in de taal, als werkende we-
zens voor: de winter nadert, het vuur brandt
euz,; en daarom kunnen ook levenlooze dingen
als personen voorkomen. Deze personen zijn, ei-
genlijk, driederlei; i. de persoon, die spreekt;
2. de persoon, tot welken gesproken wordt; en
eindelijk, de persoon (of zaak^, van welken men
spreekt. Zij zijn of enkelvoudig, of meervoudig;
waarom ook voor beide getallen voornaamwoorden
plaats vijlden.
'Ik