Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
120 nederduitsche
en overtref enden trap, wordende de eerste door
bijvoeging van er, de laatste door bijvoeging van
est, zamengetrokken st, gevormd, als: hoog^
hooger, hoogst, oulings hoogest, enz.
§. 193. Ook hebben de deelwoorden, even als
alle andere bijvoegelijke naamwoorden, hunne trap-
pen van vergrooting, in zoo verre, namelijk, als
hunne beteekenis en het gebruik die veroorloven.
Zoo zegt en schrijft men, bij voorbeeld: een
sprekender, en het sprekendste bewijs — een drin-
gender en de dringendste nood — drukkender en
de drukkendste zorgen enz. Beminnen, haten
enz. lijden deze vergrooting bij hunne bedrijven-
de deelwoorden niet. Bemind, gehaat, daarente-
gen, hebben beminder, gehater, bemindste, ge-
haatste,
194. De vergrootende trap bepaalt de groot-
heid der hoedanigheid, welke een bijvoegelijk
naamwoord aan iets toekent. Men vergelijkt eene
zaak met eene andere, schrijft aan dezelve eene
hoedanigheid boven de andere toe, en zegt, bij
voorbeeld: de roos is schooner, dan vele andere blot'
men. IVÏe was welsprekender, dan Cicero?
195. De overtreffende trap verheft de hoeda-
nigheid eener zaak boven al de overige van hare
soort, of van eene zekere soort: de grootste stad,
het sterkste paard.
196. Men heeft wel eens beweerd, dat de
vergrootende trap der bijvoegelijke naamwoorden,
door al de geslachten, in het enkel-en meervoudi-