Boekgegevens
Titel: Nederduitsche spraakkunst
Auteur: Weiland, Pieter
Uitgave: Dordrecht: Blussé en Van Braam, 1820
Nieuwe door den auteur zelven overziene en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 700 : 1820
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206030
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederduitsche spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
82
nederduitsche
Der,
Den,
De.
Der,
De, der, (»)
De.
Een
Der,
Den,
De.
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzydig.
I Een,
a Eens,
3 Eenen,
4 Eenent
Eene,
Eener,
Eene, eener,
Eene,
Een,
Eens,
Eenen, een.
Een.
Dit niet bepalend lidwoord heeft natuurlijk geen
meervoudig getal.
C. OVER DE BTJVOEGELJJKE NAAMWOORDEN.
I. Derzelver aard.
170. Bijvoegelijke naamwoorden zijn zulke
woorden, welke de eigenschap, of hoedanigheid
der personen of zaken aanduiden, die door het
zelfstandige naamwoord beteekend worden; zij zijn
of oorspronkelijk, als: groot, klein, breed, smal,
hoog, laag, rond, wit, zwart, ligt, zwaar,
schoon, goed, kwaad enz.; of afgeleide en zamen-
gestelde, als: eerlijk, weldadig, goedhartig enz.
S- 171.
(*) Sommigen hebben den derden naamval vsn het meervoud
in het vrouwelijice geslacht ook door den uitgedrukt; tloch het
taaleigen vordei-t der, of aan d*, hetwelk ook door het gebruik
voorgcïtaan wo/It.