Boekgegevens
Titel: Volapük, dat is de wereldtaal: spraakkunst
Auteur: Schleyer, Johann Martin; Bruin, Servaas de
Uitgave: 's-Gravenhage: IJkema, 1884
Arnhem: G.J. Thieme
Opmerking: Vert. van: Volapük. - 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 533 H 31
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205876
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: kunstmatige wereldtalen
Trefwoord: Volapük, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Volapük, dat is de wereldtaal: spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
79
nadcrliaiidj^oso; namens (metname), nemQ\ 's namiddags,^o^^t'wdelo ;
nauwelijks, töho\ neder (neer), do7i\ nergens, mgto, wé^semó/j;
niet, uü
nimmer , negdo \ nogmaals , denu \ nooit, navdo \
nu
tui ; onder , dm \
ongeveer,
za : opnieuw , dann \
opwaarts, amo , huü , müvad \ overal, rdtopo ; rechts , dato ;
reeds , ya ; rondom, zo , lino ; slechts , it; spoedig , smi;
steeds, ai, egelo\ te, tn\ tegelijk, tog(o)\ terstond,
terug, ge\ tevens, tog{o)\ tevergeefs, vanliko\ te voet,
tezamen, hoh{o)\ thans, nn\ toen, t(\n(i})\ uiterst (uitermate), /^'vem(o);
vaak, ofcn\ vandaag, tudd{p)\ verder,/rt^o; vergeefs, mwZ/^o;
vervolgens, voorheen, hifo, hiio\ voort, mq/b ; vooruit, w/se;
vroeg, yodelo ; vroeger, hifo , hüo ; waar , kibj) ? , ^-iplad ? ;
waarheen, kipladi'^^ waarom, /-«koel?; waar vandaan, kiplada'^\
wanneer,/vtim? ; weder (wederom), \veg,mofoi wel,
weldra, snn'^ wellicht, /ja, ho\ zeer, ww, umo, . . . .; zoo, .yo;
zijwaa rts, flauive( t.
VOORZETSELS (PLÄPODS).
1. Scheidbare {Teiliks).
[§ 216]. De voorzetsels staan allen, zonder uitzon<lenng. vóór
het substantief, waarop ze betrekking hebben.
m i n a t i ef (eersten naamval); dat staat dus gelijk met geen
naamval. Inzonderheid is dit het geval met al de voorzetsels, die
[§ 217.] 1) Verreweg de meeste voorzetsels regceren den n o-
geven
op de vraag »waar" of „
van waar" (waar van-
antwoord
(laan), b.v.:
in de stad, m zif.
3) Op de vraag „waarheen" (waar naartoe) rcgeeren eenige
voorzetsels den accusatief (vierden naamval) van het sub-
stantief in enkel- en in meervoud, b.v. :
naar de stad, in zif.
[§ 218-1 1) Slaat een der voorzetsels (in no. 2 der vorige §
bedoeld) op de vraag „waar'', dan regeert het natuurlijk den
nominatief. De beide voorbeelden met het Volapük-voorzotsei in
(§ 217) strekken ten bewijze.
2) De voorzetsels, die op de vraag „waarheen'' (waar naartoe)
den vierden naamval regeeren, zijn in alphabetische orde
de volgende :
bevü, tussehen; bif, vóór (plaatselijk); da, doorheen, door;