Boekgegevens
Titel: Volapük, dat is de wereldtaal: spraakkunst
Auteur: Schleyer, Johann Martin; Bruin, Servaas de
Uitgave: 's-Gravenhage: IJkema, 1884
Arnhem: G.J. Thieme
Opmerking: Vert. van: Volapük. - 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 533 H 31
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205876
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: kunstmatige wereldtalen
Trefwoord: Volapük, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Volapük, dat is de wereldtaal: spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
76
if ohi Ulonöo, biiioiö» ieliibó'Z mmudi l'ulïl. (Zie eens aan! 15 of
16 Woorden Hollandscli uitgedrukt niet sleelits 7 woorden in
Volapük!)
Dit 00 kan ccliter ook (zonder -la) aan den onvolmaakt verle-
den tijd eu aan den meer dan volmaakt verleden tijd vastgehecht
worden.
11) Wil men ook de werkwoorden „behoeven", „plegen",
„schijnen", „weten", „willen", als hulpwerkwoorden
beschouwen, dan vertaalt men
„behoeven" met nedAn, zesildön of het eindpartikel ök-,
„plegen" (= gewoon zijn) met leAwwiin of met het aoristische
vocjrpartikel ai-,
„schijnen" (deu schijn hebben van) met jinön-,
„weten" met nolön-, en
„willen" met vilön, dumauün, Jlagöti (of =: „juist van plan
zijn", „juist willen gaan" met hinön en het deel-
woord, b.v.: ik wil juist gaan schrijven: hinoh penöl.
GRAMMATICALE UITGANGEN EN PARTI-
KELS TER HERHALING.
{Finams glamatik e silahs al detmum.)
[§ 210.] Heer söl, beeren sols-, heers-vrouw (dame, meesteres)
ji-só'^ (of-sö?); heertje «ó'Zil; des heeren (van den heer) sö/a, den
lieere (aan den heer) sblé, den heer söfi; der heeren söZas, den
heeren sUK'.s, de heeren só'/is; o heer! o sül\, o heeren! o só'Zs;
liecrachtig «ó'/ik, heerachtiger söZikum, heeraehtigst «öZikün; grooter
heer «öZum, grootste heer söZün, allergrootste heer lesöZün; één
heer sül hal-, tien heeren söh bals-, de eerste heer söl halid,
eerstens de beeren haliAo sols; eens een heer söl haln-A; elke
twee heeren, söls a tel; groot heer lesöZ; kwibus lusöZ, pootste
kwibus lu.sjZün; heerschen (infinitief) söZön, heerschen (impera-
tief)! ÄtiZoÄüd!; heerschend «öföl, heerschender «öfölum, heer-
schcndste «ö?öliiu; geheerscht esölöl, geheerscht (imperatief)!
sö/ölöd!; hij heersche söZomöd!, mochte zij heerschen sölof-la;
men moge heerschen sölonöa! ; heerscht het sölós-W ?; mocht
zij heerschen stiZJ/'-li-la ?; heerscliergeest sö/id; heersehachtig (bij-
woord) «ö/iko, söto 41 vormen. (Daarentegen: heerlijk .(/totïl-;
gloliko, glolo.)