Boekgegevens
Titel: Volapük, dat is de wereldtaal: spraakkunst
Auteur: Schleyer, Johann Martin; Bruin, Servaas de
Uitgave: 's-Gravenhage: IJkema, 1884
Arnhem: G.J. Thieme
Opmerking: Vert. van: Volapük. - 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 533 H 31
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205876
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: kunstmatige wereldtalen
Trefwoord: Volapük, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Volapük, dat is de wereldtaal: spraakkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
53
L§ 163] Tweede persoon meervoud: gij [gijlieden].
{Pöaod telid plunuma: ols.)
In den tweeden persoon meervoud (gij [gijlieden])
liebben alle werkwoorden den uitgang ol met de meervouds-« er
achter, dus oh, b.v.:
iidóls (gij [gijlieden] leert, d. i. onderricht).
tifóh (gij [gijlieden] steelt).
tikóh (gij [gijlieden] denkt).
Vertaal:
gij [gijlieden]
tipóls (gij [gijlieden
tovóls (gij [gijlieden
spitst),
tilt).
kwelt de dieren (kwelling, lom)-, gij klinkt, o
fluiten! (klank, toon, ton)-, gij [gijlieden] draait (draaiing, tul)-,
gij [gijlieden] vindt (vondst, tuv) de broeders; gij [gijlieden] wa-
pent de mannen (wapen, vaf).
I§ 164;.] Derde persoon meervoud (mannelijk): zy.
(Pösod kïlid plunuma \manik~\: oms.)
In den derden persoon mannelijk van het meervoud (lij)
hebben alle werkwoorden den uitgang om met de meervouds-« er
achter, dus oma, b.v.:
vagóms, zij ledigen; valómi, zij kiezen;
valadóms, zij wachten; steniidóms, zij sterken ;
vamums, zij warmen.
Vertaal (NB. „zij" is hier m a n n e 1 ij k meervoud) :
zij besproeien (water, vat)-, zij zweven (zweving, tcä) ; zij worden
bakkers (het worden, vei)-, zij wagen (waagstuk, venüd)-, zij ver-
giftigen dieren (vergif, venód).
[g 165.] Derde persoon meervoud (vrouwelijk): zij
(Pösod kïlid plunuma [jilikl: ofs.)
In den derden persoon vrouwelijk van het m e e r v o u d
(zij) is bij alle werkwoorden de uitgang of met de meervouds-s
er achter, dus ofs, b.v. :
nügófs, zij naaien; solufs, zij zonnen;
sagófs, zij zeggen; klilófs, zij verhelderen;
käUfs, zij passen op, zij verplegen.