Boekgegevens
Titel: Eerste(-tweede) vijftigtal leerrijke verhalen ontleend van de Nederlandse spreekwoorden: ten dienste der scholen
Deel: 1e vijftigtal
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Groningen: A.L. Scholtens, 1855
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 G 63
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205567
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste(-tweede) vijftigtal leerrijke verhalen ontleend van de Nederlandse spreekwoorden: ten dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
46
Jtij weinig aanleg bezit, om iets te leeren, en te
traag is, om wat meer vioeite te doen. Het is geen
kok, al draagt hij een lang mes. Maar om nu nog
den schijn te vertopnen, dat hij tot den geleerden stand
behoort, loopt hij bestendig hij de straat met een boek
onder den arm. Kort daarop ontmoeten zij een' man,
wiens mager ligchaam, treurig gelaat en slordige kleeding
alle blijken van armoede schenen te dragen. „Dien man
gaat het zéker niet zeer voorspoedig," zeide Micliiel. „ Hij
is ten minste niet zeer gelukkig," zeide de vader, „ om-
dat hij niet zeer tevreden is met hetgeen hij bezit, maar
rusteloos naar meer tracht. Maar als gij hem beschouwt,
als iemand, die geen geld of goed bezit, dan moet u
dit al weêr aan de spreuk herinneren: „het zijn al
geene koks, die lange messen dragen." Het is een
groote gierigaard of een vrek, mijn zoon." Nu kwam hen
iemand met een fraai verguld rijtuig tegen, bespannen met
twee groote paarden, welker gareelen en hoofdstellen met
zilver gemonteerd waren, en met een' koetsier voor- en een'
lijfknecht achterop. „ Mij dunkt, dat mok de rijkste der
stad zijn," riep Michiel. „Al weder mis," zeide de
vader, „het is een der armste ingezetenen van de stad; want
het is eene bewezene waarheid, dat hij driemaal meer
schuld, dan eigene bezitting heeft. Maar hij maakt zulk
eene vertooning, om als rijk geacht en geëerd te zijn „Hij
is almede geen kok, al draagt hij een lang mes.""
Eindelijk ontmoeten zij nog iemand met een eenvoudig
kleed, bleek gelaat en die op niets acht scheen te slaan.
„ Dat is zekerlijk een dom, ongeleerd man," zeide Michiel.
„De schijn heeft u weder bedrogen," zeide de vader;
„het is een groot geleerde. Maar de man is in te diep
gepeins over wezenlijke zaken, om zich met de dingen ,
die op de straat gebeuren, te bemoeijen, en hij kent
des menschen bestemming, zijne eigene waarde en de we-
reld te goed, om eene grootere vertooning te maken."
Toen Michiel met zijne vader weder naar huis wandelde,