Boekgegevens
Titel: Eerste(-tweede) vijftigtal leerrijke verhalen ontleend van de Nederlandse spreekwoorden: ten dienste der scholen
Deel: 1e vijftigtal
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Groningen: A.L. Scholtens, 1855
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 G 63
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205567
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste(-tweede) vijftigtal leerrijke verhalen ontleend van de Nederlandse spreekwoorden: ten dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
De huurman, die een achteloos man was, had hiervan
nog niets vernomen. Hij liet derhalve zijne schapen mede
onderzoeken, en nu bleek het, dat deze dezelfde kwaal
nog in eene veel ergere mate hadden. Aanstonds moest
deze zich er ook van ontdoen, opdat niet meer veehouders
in hetzelfde ongeluk kwamen. i
Benediktus had acht hinderen, aan wier opvoeding hij
zich veel liet gelegen liggen; en werkelijk vond men ook
in het geheele dorp geene gezonder, leerzamer, ordelijker
en braver kinderen, dan die van Benediktus.
Hun rijke buurman had slechts één zoon , die door te
groote' toegeejlijkheid en weinig opzigt zijner ouders, eene
geheel verwaarlooosde opvoeding ontvangen had, doch uit-
geleerd was in liegen, bedriegen , vloeken , schelden en
allerlei ondeugende streken. De kinderen drongen sterk
bij hunnen vader aan , om Bernard — zoo heette de be-
dorvene jongen — uit te noodigen, om den eerstkomenden
zaturdag bij hen te komen spelen. De vader zweeg stil
en bedacht zich eene wijl; maar toen de kinderen niet
ophielden, en volstrekt een toestemmend antwoord verlang-
den , zeide Benediktus : „ kinderen I ik stel grooten prijs
op een schuldeloos hart en een onbevlekt geweten; want
dit zijn" de grootste schattéfi op de wereld; als gij dat mist,
kunt gij nimmer gelukkig zijn. Gij weet, ik heb, zoo veel
in mijn vermogen was, u altijd braaf trachten op te voe-
den , en, gelijk ik hoop, is uwe onschuld ook nog bewaard
gebleven.
■ Gaat gij nu met Bernard om, d(tn- vrees ik, dat gij,
zonder hetzelve te willen, vele van zijne slechte hoedanig-
heden en streken zult overnemen, diie zich naderhand zeer
moeijelijk, ja, misschien nimmer geheel laten uitroeijen.
Gij weet hij ondervinding: „één schurftig schaap kan
de geheele kudde aansteeken," —' en op deze omstan-
digheid toegepast: één ondeugend mensch kan vele
menschen bederven!"
De kinderen begrepen hunnen welmeenenden vader,